RECENTE AANWINSTEN (2)

IN DE VERZAMELING SCHAAKBOEKEN

 

      -    Internationales Schachturnier Zürich 1934

      -    150 JAAR DD

      -    Dvoretsky’s Endgame Manual is het einde!

      -    Der Großmeister aus Lublin (Zukertort)

      -    Recente aanwinsten (1) met 13 boeken

-      Meer schaakboeken op deze site

 

meer schaak- en ander nieuws www.tomsschaakboeken.nl 

 

 

 

Internationales Schachturnier Zürich 1934

 

Wat weten we nog van dit toernooi? Eigenlijk maar twee zaken: Euwe wint met een prachtig paardoffer van Aljechin. En: Lasker wint met een schitterend dameoffer van Euwe, in de eerste ronde nog wel.

Twee partijen om in te lijsten.

 

De eerste, de fraaie winst van Euwe, heeft het enthousiasme voor de WK-match een jaar later aangewakkerd en grond gegeven voor het vertrouwen in de goede afloop.

Het toernooi – georganiseerd ter gelegenheid van het 125 jarig (!) bestaan van Schachgesellschaft Zürich – had een mooie bezetting.

Behalve de drie al genoemde grootmeesters waren ook Flohr, Nimzowitsch, Stahlberg, Bogoljubow en Bernstein van de partij. In totaal waren er 16 deelnemers waarbij ook Grob, de Zwitser van de onderzoekingen van de opening 1. g2-g4!

 

Aljechin – de wereldkampioen – won (13) voor Euwe en Flohr (12), Bogoljubow (11), Lasker (10) enz.

 

De analyses zijn van Aljechin. Wat vond hij van de partij Euwe – Aljechin?

 

Wit: Euwe    Zwart: Aljechin     Zürich 1934

 

 

Stelling na 27. … Te6

 

Stelling na 31. Pf7!

 

28.   e3 - e4?

We volgen Aljechins commentaar (en laten de typografie ongewijzigd):

Abgesehen von der Unterlassung im 12. Zuge, hatte Euwe bisher die Partie sehr zielbewusst gespielt. Und eine unverkennbare Druckstellung erreicht. Umso unbegreiflicher ist der, - blass auf einen taktischen Witz berechnete -, stellungswidrige Textzug, der dem Gegner das hochwichtige Feld d5 schenkt. Sehr gut wäre hier z.B. 28. Dc5-c2, Sf6-d7 29 Se5-d3 usw

 

28.                  Sf6 : e4 ?

Der Beginn einer Halluzination : Ich glaubte alles ernstes, dass Weiss im Begriff sei, eine Figur einzustellen! Sonst hätte ich natürlich die Folge 28. …. d5:e4 29. Sg3:e4, Sf6-d5 (30. g2-g3, f7-f6 31. Se5-d3, Dd8-e7) gewählt.

 

29.   Sg3:e4       d5:e4

30.   Te1:e4        f7-f6 ??

Auf diesen groben Fehler hatte Weiss merkwürdigerweise gehöfft, als er 28. e3-e4 zog. Nach 30. … Sc8-e7 liesse ich die Partie trotz der Endspielschwäche a6 ziemlich bequem halten.

 

31.   Se5-f7!

Der Witz ist ganz hübsch, hätte aber von Schwarz eben deshalb durchschaut werden müssen. Weiss müsste ja, wenn nichts besonderes los wäre, eine Figur verlieren! Ein solcher Glücksfall unter Meistern ist einem <en-plein-Gewinn> in Monte Carlo zum mindestens gleichbedeutend.

 

31.                  Dd8-e8

Auf 31. … Kg8:f7 folgt 32. Dc5-h5+ Kf7-e7   33. Te4:e6+, Ke7:e6   34.  Tc1-e1+ und Matt in drei Zügen.

Nach dem folgende Bauernverlust ist die schwarze Stellung trostlos, und Euwe erledigt den Rest mit gewohnter Fertigkeit.”

 

Tot zover Aljechin.

Vanzelfsprekend is er nog veel meer moois te zien, bv. het onovertroffen paardeindspel dat Nimzowitsch van Lasker wist te winnen.

De lof van Aljechin: “Alles in allem eine der besten Partien und zweifellos das beste Endspiel des Turniers.”

 

Achterin het boek zijn enkele problemen opgenomen, o.a. van Dr. Ado Kraemer en Hans Johner. De laatste was ook deelnemer aan het toernooi.

 

Fraai uitgevoerd in linnen band, met mooi papier en een moderne letter, is dit boek niet alleen een onmisbaar historisch document maar ook een genoegen om in de hand te hebben.

 

Internationales und 37. Schweizerisches Schachturnier in Zürich 1934

Sämtliche Partiendes Internationales Meisterturniers bearbeitet von Welmeister A. Aljechin

Mit zahlreichen andern Beiträgen und Illustrationen

Herausgegeben von Schachgesellschaft Zürich 1935

 

 

06.08.08 tvb

 

 

 

150 JAAR DD

 

Op 352 pagina’s is de geschiedenis geschreven van de eerste 150 jaar van het Koninklijk ’s-Gravenhaagsch Schaakgenoot-schap Discendo Discimus. Voor in het boek staat netjes ”1852 * 29 december  * 2002”

 

Het boek is uitgegeven in 2005 en eigenlijk dus zeer recent verschenen. Dat van dit hoogwaardige boekwerk nu al een tweedehands exemplaar te koop was is opmerkelijk.

 

Wie, zoals ik, het boek voor zich heeft en er wat over wil zeggen moet wel uitkijken, voor je het weet heb je een claim aan de broek. Wat moet ik, als niet jurist, aan met de zeer uitgebreide tekst op pagina 4 die de rechtsbescherming van boek en auteurs toont.

Ik begrijp wel zoveel dat het ongevraagd overnemen van (een gedeelte uit) een artikel of foto tot grote problemen leidt. Een onvriendelijk begin van een feestelijk boekwerk.

 

Het is een schitterend boek, laat ik daarover duidelijk zijn. Veel bijdragen van gerenommeerde (schaak)auteurs halen herinneringen op aan gebeurtenissen en personen die het leven van het genootschap bepaalden. Veel Donner, het Nationaal Schaakgebouw, kampioenen en titels, toernooien, voorzitters, enz, enz.

 

Een hoofdstuk is gewijd aan Th. C.L.Kok, de schrijver van het fameuze boekwerk Eindspelen en problemen, 1938.

 

Op een fotootje – de meeste foto’s zijn –tjes – zie ik Ir H.J. van Donk, de co-auteur van een hoofdstuk DD-ers en de eindspelstudie, met maar liefst 28 diagrammen, die ook niet royaal zijn uitgevallen. Heel interessant met mooie studies en ook met enkele saillante persoonlijke bijzonderheden met betrekking tot componisten.

 

Ir. H.J. van Donk (foto niet uit DD 150 jaar)

 

Ir van Donk overigens, wordt op deze site geëerd met de opname in de rij Bijzondere schakers. In de jaren ’70- en ’80 had ik het genoegen – zonder succes – de degens met hem te mogen kruisen. Vorig jaar bezocht ik hem in Verpleeghuis Crabbehoff in Dordrecht. Hij vertelde over zijn tijd bij DD, de eerste oorlogsjaren. Het moet gezegd, hij is heel lang lid geweest van SC Dordrecht, maar zijn schaakliefde was DD. Hij heeft dan ook zijn hele schaakbibliotheek, en die mocht er zijn, bij zijn laatste verhuizing aan DD geschonken.

 

Graag had ik meer bijzonderheden gelezen over Prof. Drs J. Muilwijk, in een artikel in het gedenkboek van de hand van J.J. Lindner de grote drs Muilwijk genoemd. Het kan haast niet anders of hij is dezelfde persoon als rond 1951 mijn leraar wis- of natuurkunde aan de Chr. HBS aan het Henegouwerplein in Rotterdam.

Het was tijdens een natuurkunde (?) repetitie dat mijn blaadje ook na een half uur nog maagdelijk blank was. Ik zat nogal vooraan en dat bleef daarom niet onopgemerkt. Muilwijk had wel in de gaten dat er ook in het verdere lesuur niets op papier zou komen. Hij stond op liep naar mij toe en gaf mij – tot mijn stomme verbazing – deeltje XII van Euwe’s openingsboekjes, dat met het Koningsgambiet. Ik heb het nog.

Of mijn schoolresultaten door dit boekje verder achteruitgingen durf ik niet te zeggen, maar aan mijn schaakkwaliteiten heeft het wél bijgedragen. Al doende leert men.

Naast Drs J. Muilwijk stond ook Drs J. C. Geusebroek – o.a. uitkomend voor de Haagse Chr. S.V. - op die school bekend als goed schaker. Geusebroek gaf daar in 1952 ook simultaans.

 

Gelet op het gestelde op pagina 4 van het Gedenkboek rijst de vraag of ik hier een partij van Drs J. Muilwijk mag citeren. De algemene praktijk is dat er geen auteursrecht op schaakpartijen rust dus mag ik dat wel doen.

In Het Tijdschrift zijn hier en daar ook wat partijen van hem te vinden waarbij in elk geval geen dergelijk beding is gemaakt.

 

Het boek intussen, prachtig uitgevoerd als stoere paperback met mooi papier, is een onuitputtelijk bron voor liefhebbers van een stuk Nederlandse schaakgeschiedenis.

 

tvb

 

 

Dvoretsky’s ENDGAME MANUAL is ‘het einde’!

 

Ooit schreef ik dat indien er een canon voor schaakboeken zou komen BASIC CHESS ENDINGS van Rueben Fine daarin moest worden opgenomen. Terecht. En Chéron dan? Zetten we er ook op. Aan al deze uitgaven gaat Theorie und Praxis der Endspiele van Joh. Berger vooraf. Monumentaal, grondig, ook minder praktische eindspelen. Voor zover ik weet was dit de eerste allesomvattende eindspel-behandeling. Natuurlijk, komt ook op de lijst.

Euwe, Rabinowitsch, Averbach, ben ik met u eens, allemaal voortreffelijke boeken die voor veel schakers de grondslag van hun eindspelkennis moeten zijn geweest.

 

En nu Dvoretsky.

In een tweedehandsboekhandel c.q. antiquariaat, trof ik dit recente werk aan:
DVORETZKY’S ENDGAME manual 2nd Edition

Mark Dvoretsky

2006, Russel Enterprises, Inc. Milford Usa.

 

Wat een boek. Indrukwekkend.

Begin met het lezen van de inleiding van Dvoretsky zelf. Er wordt dan veel duidelijk over de opzet en bedoelingen van het boek.

Het heet dus geen leerboek, maar een handleiding!

Het is een methode om je niveau van eindspelbehandeling omhoog te halen.

Het fors uitgevallen boek bevat veel oefeningen (bij de belangrijke uitgaven alleen gezien bij Rabinowitsch). Hij legt voortreffelijk uit zodat je weet wat te doen. Hij werkt met kleuren zodat direct opvalt wat essentieel is. Eindspelauteurs grijpen nogal eens naar eerdere schrijvers om aan de hand van oude voorbeelden een bepaalde case te bespreken. Hier gebeurt dat weinig en in de meeste gevallen is er dan sprake van een verbetering c.q. weerlegging, maar niet altijd.

 

In het hoofdstuk Dame tegen verschillende stukken behandelt hij een aantal stellingen met pionnen. Een uitzondering is het eindspel van D tegen twee lichte stukken. Waarover hij behartenswaardige opmerkingen maakt. Over D tegen L+P is hij kort: de dame wint met slechts enkele uitzonderingen en die moet je kennen. Hij geeft een stelling (zie diagram) van Karstedt, 1903, die wat je ook probeert remise is. Zwart heeft een niet te slopen vesting. Deze stelling komt ook voor bij Berger, 1922, (diagram 123), die dit eindspel en andere van D tegen twee lichte stukken grondig onderzoekt. Dvoretsky noemt Berger niet en beperkte zich tot het inprenten van de uitzondering. Liever houdt hij zich bezig met praktischer eindspelen.

 

Wie zich echt wil verdiepen in de eindspelen heeft hier een uitstekende gids. Is ongetwijfeld nog (nieuw) te koop bij de bekende schaakboek-winkels.

Ook dit eindspelboek mag in de canon niet ontbreken.


 

DER GROßMEISTER AUS LUBLIN

 

19.12.07

Zukertort. De naam alleen al. De kleine Dufresne was een van de allereerste leden van mijn boekenclub, een laag nummer, onder de tien. Zoals elders verteld kon ik dat boekje begin jaren ’50 op de markt op het Noordplein in Rotterdam-Noord kopen voor twee kwartjes.

Het was de basis voor mijn liefde voor de oude schaakwereld die ik mij voorstelde met veel rook, diepe fauteuils en gerespecteerde oudere heren.  De fraaie Duitse lettertekens verschafte het geheel een authentieke geur.

De namen imponeerden - ik zat in de 2de klas en kon al een beetje met Duits en Engels overweg - : Blackburne, Von Paulsen, Steinitz, schitterend. Wie daar achter schuilgingen kwam ik beetje bij beetje te weten.

En dan de partijen, van Mieses, Schiffers tegen Harmonist, en verbluffend, een partij, later DE partij, van Zukertort tegen Blackburne.

Dit was iets buitengewoons, iets wat eigenlijk niet kon bestaan, iets zo uitzonderlijks dat ik het met mijn bescheiden kennis van het schaken niet kon

be-grijpen. Een dameoffer met een schoonheid die zich vermengde met mijn romantische voorstelling van de late negentiende eeuw.

Die naam, Zukertort, boezemde me ontzag in. Wat was dat voor iemand?

 

In de loop van de tijd heb ik een beeld gekregen van Johannes Hermann Zukertort, de grandioze winnaar van het monstertoernooi Londen 1883. Drie hele punten voorsprong (22) op een veld met Steinitz (19), Blackburne (16½), Tschigorin (16), Englisch, Mackenzie en Mason (allen 15). Winawer, Bird en Noa eindigden in de onderste helft.

 

Nu kijk ik uit naar het lezen van DER GROßMEISTER AUS LUBLIN, Wahrheit und Legende über Johann Hermann Zukertort.

Natuurlijk heb ik er al in gebladerd en genoten van de prachtige oude foto’s en afbeeldingen. Het is een echte biografie, beginnend met zijn jeugd en afkomst, de herkomst van zijn naam en gegevens over zijn broers en zusters. Het geeft een beeld van de vroege 19de eeuw.

Maar het gaat natuurlijk om de schaker Zukertort. Zijn succes en zijn falen.

Zijn toernooien en matches, in het bijzonder de voor hem zo cruciale en fatale match tegen Steintz in 1886.

Het boek is geschreven in de beste wetenschappelijke traditie, met veel bronnenonderzoek. Het bevat een hoofdstuk met partijen en fragmenten verzorgd door Hübner. De nadruk ligt echter in het beschrijven van zijn geschiedenis en de weergave van (tijdschrift)artikelen.

 

Het resultaat ziet er uit als een klein boekje. Maar vergis je niet. De bescheiden (hardcover) publicatie is een formidabel boek van 284 pagina’s, prachtig uitgevoerd, voorzien van zeer veel voetnoten. Dat belooft wat met de feestdagen.

 

Der Großmeister aus Lublin

Wahrheit und Legende über Johannes Hermann Zukertort

Cesary W. Dománski & Tomasz Lissowski

Exzelsior Verlag, Berlin 2005

www.zeitschriftschach.de

 

Uitgegeven met medewerking van de Ken Whyld Association \

 

Aantekening dd. 09.07.14:

Opmerkelijk: Dit boek heb ik nu opnieuw besproken. De hier weergegeven bespreking was ik na zeven jaar vergeten. Ik schreef hierboven dat ik het boek zou gaan lezen, wel nu, dat is nu gebeurd. De nieuwe bespreking van dit boek staat hier.

 

 

www.tomsschaakboeken.nl