Veld 65

 

“Veld vijfenzestig is allereerst een verzameling verhalen over mensen. Mensen, die ik ooit heb ontmoet. Mensen, die ik nog steeds onmoet. Mensen met hun eigenaardigheden. Mensen met hun eigen aardigheden.

 

Daarnaast is het een verzameling sfeertekeningen , waarbij het schaken slechts een verbindend motief is”.

 

Willem D. Platje

Keuzemenu

Email de auteur!

Dick

 

Geen leed is voor de levenden te ontvlieden

Maar in één aarde eindigt alle pijn

Waar de verradenen en die verrieden

Verenigd in de slaap der eeuwen zijn. (J.C. Bloem)

 

Op het kleuterpleintje achter de school, waar de kleinsten rustig kunnen spelen was hij die woensdagmiddag gesnapt. Als laatste had hij dralend de school verlaten en de meester had hem met zachte hand naar de deur geloodst. “Het zijn geen waterplantjes hoor”, had hij als antwoord op zijn vraag gekregen. “Je hebt ze gisteren al water gegeven, was je dat alweer vergeten?”

Hij had gehoopt ze te kunnen ontlopen door over het hekje te klimmen en via het kleine plein naar huis te gaan, maar ze hadden hem doorgehad. Ineens was hij omsingeld. Machteloos balde hij zijn vuistjes, maar hij durfde niets te zeggen. Willoos liet hij zich van de ene kwelgeest naar de andere duwen, maar hij durfde niets te doen. Het treiterend gejoel, “Stomkop, scheitezel!”, verdoofde zijn kleine brein. Niets begreep hij ervan, niets. Waarom moesten ze hem altijd hebben? Omdat hij niet mee kon komen in de klas? De tranen biggelden langs zijn wangen. Was hij maar groter … sterker.

Een enorm gebrul drong zijn oren binnen en hij kromp nog verder ineen. Nu zouden de klappen komen. Hij zette zich schrap…Maar de klappen kwamen niet. Door de natte mist in zijn samengeknepen ogen heen zag hij er twee als door een mokerslag een meter achteruit vliegen. Van de andere twee zag hij vaag hoe hun voeten zich razend rennend verwijderden. Nog een oerkreet en toen werd het stil. Hij voelde een hand op zijn kleine schouders en een andere hand streek over de tranen op zijn wangen en toen door zijn haar. Bevend over zijn hele lijf draaide hij voorzichtig zijn hoofd omhoog en keek in het woedendrood vertrokken gezicht van zijn broer Dick…

 

Ik kwam hem na het sluiten van mijn stamkroeg in de catacomben onder de kunstenaarssociëteit tegen. Die nacht stak ik in blakende vorm. Een gevulde blauwe blazer stond aan de bar te oreren, dat er op de wereld geen grotere proleet was dan hij. Zijn gehoor bestond uit vier extra ballen, die bij zijn gebral voortdurend hun instemming betuigden en vooral op zijn beurs meezopen. Even later noemde hij zichzelf vol zelfovertuiging een groot Ariër, waarop ik duidelijk en met opzet iets te geforceerd in de lach schoot. “Waar moet je zo om hinniken kaerel”?, affecteerde hij. “Wel”, antwoorde ik fijntjes, “Als je zowel proleet als Ariër bent, dan rest mij slechts de conclusie dat je gewoon een proletariër bent, niet?.” De zelfvoldane uitdrukking op zijn gezicht veranderde op slag. Dit betekende oorlog.

 

Ik zag een rossige knaap aan de andere kant van de bar grijnzend knikken van instemming. “In ieder geval één medestander”, dacht ik. Grijsbroek liet mijn plagerijtje niet over zijn kant gaan en probeerde, voortdurend denigrerende opmerkingen aan mijn adres makend, me neer te zetten als een dubbeltje uit de laagste maatschappelijke klassen. Een rooie, zonder beschaving of cultuur en vanzelfsprekend ongeletterd. Ik schikte me in het onvermijdelijke, dat ik zelf had uitgelokt. Na nog een aantal glazen wijn met een begeleidend gymnasiaal “Ad fundum” en “In vine veritas” achterover gekieperd te hebben keek hij me uitdagend met toegeknepen rode oogjes aan en vroeg: “Zeg kaerel, heb jij nog iets interessants gelezen de laatste tijd behalve dan die Playboy of de VI waar jouw soort zo vaerzot op is? Ghè, ghè ghè, bierdrinkertje?” Ik veinsde aarzeling. “Ik eehhh ben net klaar met ‘Das Kapital’ van Karl May meneer”, hakkelde ik quasi hulpeloos. De naderende triomf blies zijn borstkas en zijn vurige wangen op toen hij me toebeet: “Das Kapital? …, Das Kapital kaerel…. Da’s nie van Karl May! Da’s verdemme nog aen toe van Karl Marx!” Met intens genoegen liet ik de val dichtklappen en zette hem mat in één met een droog: “Ach, jaah natuuurlijk, ik vond ook al dat er zo verdomd weinig indianen in voorkwamen …”

 

“Dick”, stelde hij zich met een nauwelijks verholen grijns voor. “Willem”, zei ik. “Je had hem mooi te pakken, Willem.” “Dank je, Dick.” Zonder overbodige woorden op slag twee samenzweerders in humor en taal.

 

Aan de oppervlakte scheen hij iemand waarmee “je kon lachen”. Dick voelde zich ogenschijnlijk echter niet belemmerd door de indruk, die hij maakte. Hij schreef kolderieke teksten voor zijn cabaretgroep “Dramacabaretirade” en die naam alleen al verried zijn passie voor taal, die ik met hem deelde. In 1978 stond hij met veel succes op het podium bij het befaamde Camerettenfestival in Delft. Veel talent is daar de weg naar het succes ingeslagen. Veel talent haalde het later ook niet. Na lang aandringen kreeg hij me zover, dat ook ik eens een tekst en muziek zou schrijven voor zijn cabaret. Het werd de “Tango Consulado”. Een lied over de moordaanslagen op ambassadeurs, consuls en andere leden van het Corps Diplomatique door terroristen van de ETA, de IRA en de Rote Armee Fraktion, die ons ook in die tijd regelmatig vanuit de krantenkoppen toeschreeuwden. Vol vuur en onderbroken door daverende lachsalvo’s, getooid met ceremoniële steek en oranje sjerp zong Dick bij de repetities dit nog immer actuele lied:

 

“Want neem nou Theo in Montevideo

die etters legden in zijn kofferbak een bom

’t gebeurde meermaals over de hele wereld

en vele vrienden van het Corps kwamen zo om...”

 

Ook Ed in Bled, Thijs in Parijs, Rein in Berlijn en Willem-Jan in Teheran legden in het lied allen op gruwelijke wijze het loodje.

 

Wij konden het spelen met taal niet laten. Hij verzon zinnen, waarin zoveel spellingsaddertjes het gras bevolkten, dat je een ster was als je onder de tien fouten bleef. Ik herinner me er (gedeeltelijk)  eentje waarin een “…adellijke douairière, die (…) in laadjes (laatjes) met gouden handvatten bewaarde, althans (…) nochtans gevonnist werd door middel van rattenkruit ...” Veel later zou Dick in de stoel van de televisiequiz “Lotto Weekend Miljonairs”, inmiddels corrector van beroep, aangeven dat zelfs de spelling van de tekst in het “Groot Dictee der Nederlandse Taal” verre van foutloos is.

 

Onze manier van taalgebruik  onderscheidt ons van de dieren en dus limerickte Dick:

 

Een neusarts kreeg te Neerlangbroek

Een boze neushoorn op bezoek

Wiens neus volkomen was verstopt.

Maar, zo sprak het dier beknopt,

dat is op zich niet zo’n bezwaar,

Als ik maar wist door wie… en waar.

 

Zoals de meeste echte humoristen zwaarmoedig van aard zijn, was ook Dick soms somber. Heel gevoelig en kwetsbaar ook. Als ik eens in een onbewaakt ogenblik naar zijn koppie keek en vroeg wat er aan de hand was ontweek hij mijn blik met: “Niks, ik zweet gewoon een beetje uit mijn ogen.” Ik zweeg dan, maar zag een verdrietige grote broer, die voor zijn geestelijk minder bedeelde broertje opkwam.

 

Uitersten echter werden vol vuur en passie opgezocht en vooral datgene dat zo op het oog vanzelfsprekend was moest ontleed, beoordeeld, overdacht en genadeloos blootgelegd worden. “Ïedere Nederlander wordt geacht de wet te kennen”, was zo’n voor zoete koek aanname en dus correspondeerde hij oeverloos en vol leedvermaak met het Ministerie van Binnenlandse Zaken om toch maar vooral te weten te komen waar hij die Wet dan wel kon aanschaffen om zijn burgerplicht te vervullen. Hij kreeg antwoord, maar een echt antwoord bleef tot zijn genoegen uit.

 

Ongefundeerde zelfingenomenheid kon hij niet uitstaan. Je spant je tot het uiterste in, maar je blijft bescheiden. Je mag op grond van wat je hebt verworven best kritiek hebben, want dat steunt dan tenminste op een stevige ondergrond. Dick gaf zich op voor een spelshow op televisie, waarin Ted “Snor” de Braak de quizmaster was. Dick vond hem een arrogante kwast en bleef hem tijdens de opname dan ook met gespeelde domheid consequent “Meneer Ed de Braak” noemen tot de arme quizmaster bijna ontplofte van louter ergernis.

 

Ik heb zijn idee dat het eigenlijk belachelijk is om een kruisje te zetten bij elke tien jaren of je vijfentwintigste of vijftigste levensjaar te vieren omarmd. Veelvouden van vijf en tien lijken logisch, maar hoe zouden we rekenen als we vier vingers aan elk van onze drie handen zouden hebben gehad? Mijn drieënvijftigste verjaardag werd dus een priemgetallend goed feest, maar Dick nodigde gasten voor een zomaarparty uit om pas tegen het einde te onthullen, dat het ter ere van zijn miljardste seconde was.

 

Groothoofd werd opgericht en Dick verzorgde de notulen bij de oprichtingsvergadering van die nieuwe Dordtse schaakvereniging. Aan de Steegoversloot schalde het “TotoLotto” van Dick op iedere speelavond. Hij kwam aan je schaakbord en je was verplicht een formuliertje in te vullen. Hij plakte dan een zegeltje, scheurde het origineel van de kopie, inde het bedrag, waarvan een deel voor de clubkas bestemd was,  en totolotto-de naar het volgende tafeltje.

 

De loting wees uit, dat we elkaar die avond aan het bord zouden treffen. Ik merkte aan alles, dat hij het absoluut verafschuwde. Hij was helemaal in het schaken, correspondeerde schaak over de hele wereld en vond het volgens mij maar niks, dat de warme wereld van zijn schaakfantasie nu moest worden verlaten voor de koude realiteit aan het bord. Het wedstrijdformulier bewaar ik met begrijpende gevoelens nu ik het na lang zoeken heb teruggevonden. Ik noteerde destijds om de tien zetten de verbruikte bedenktijd en ik zie nu, dat het afbreken van die partij door hem geregisseerd werd. Ik moest de zet afgeven en stond straal gewonnen. Dick had vanaf het begin van de Spaanse partij achter de feiten aangelopen en zou eigenlijk moeten opgeven. Hij deed het niet en dus ging mijn zet onder couvert en voorzien van beider handtekeningen in bewaring bij de competitieleider. Pas weken later en na enig aandringen zei Dick: “Welke partij? Ooh, die? Die had ik toch al opgegeven”?

 

Ik neem het hem niet kwalijk. We leven allemaal met dromen, sprookjes, mythen. Soms zetten we de realiteit naar onze hand. Vaak hebben we het Verlangen nodig om staande te blijven.

 

Dick verdween uit mijn leven zoals hij gekomen was. Plotseling. Ik vernam, dat hij naar de Filipijnen was gereisd om daar kennis te maken met een meisje, dat hij had leren kennen via het internet. Typisch Dick. Je gaat voor honderd procent en niets minder. Al is het naar de andere kant van de wereld. Ik heb ze nog eenmaal vluchtig ontmoet in V&D in Dordrecht. Veel meer dan groeten en een onwennig gesprekje was het niet. Later vernam ik, dat hij ergens in het Groene Hart zou wonen en tot mijn verbazing inmiddels vader was van twee kinderen.

 

En ik ondernam verder niets. Mijn weerbarstige geheugen, dat me zelden in de steek laat, hield een optie open… Later. Ik zoek nog wel eens contact… Het is te laat. Dick stierf anderhalf jaar na zijn “juniorpensioen”, zoals hij dat noemde. Nog geen zestig jaar oud. Uiteindelijk gesloopt na een gevecht in verloren stelling. Op 13 april 2009 kwam het veel te vroege einde. Echo’s in mijn kop. Spijt. En ik kan nog zoveel over hem vertellen…

 

… Ik beklim voor Dick uit de steile trap. Feestje! De schetterende soulmusic komt ons tegemoet. Ik hoor bijna, dat Dick iets van plan is. Die muziek zint hem niet. De mensen, die daarnaar luisteren dienen wakker te worden gemaakt. Er moet iets gebeuren. Dan valt er een kortstondige stilte als iemand een plaatje moet wisselen en is het geroezemoes van de feestgangers te horen. Een geraas als van instortende ruïnes vervult het trappenhuis. “Shit!”, “Dick is van de trap gevallen!” Geschokt buigt het meisje, dat net achter hem binnenkomt zich over hem heen. Ze doet haar mond open om hulp in te roepen. Dan richt Dick zich half op, geeft haar een stevige zoen op haar mond en fluistert haar in het oor: “Dit is de zondeval schat,  zullen we samen de rest van het Boek vullen?”

 

… Er is eigenlijk geen moer aan op deze verjaardag tot er van buiten een apocalyptisch geluid tot ons doordringt. Iedereen is geschrokken en een plotselinge stilte dooft de geanimeerde gesprekken. Het geluid van een wegstuiterende fietsbel doet het ergste vrezen… Dan snellen de mannen al eersten naar buiten om te zien welk onheil voor de deur heeft plaatsgevonden. We vinden Dick geheel verstrengeld in een ravage van fietsen. Zijn linkerhand omklemt nog een stuur. De rechter houdt een verfomfaaid bosje bloemen in de lucht. Twee benen steken tussen de spaken van over hem heen gevallen rijwielen heen. Zijn gelaatsuitdrukking verraadt gemaakt ongeloof. We bevrijden hem met grote moeite uit zijn benarde veste. Met zorgelijke behoedzaamheid ondersteunen we hem tot in de gemakkelijkste stoel. Zorgzame meisjes schikken liefdevol wat zachte kussentjes in zijn rug. Als hij met een glaasje wijn voor de schrik, genoeglijk onderuit gezakt alle aandacht naar zich heeft toegetrokken maakt zijn rechterhand een V-teken als hij de verzamelde feestgangers toelacht: “En….. Hoe vonden jullie mijn entree?”

 

 

Deze bedroefde herinnering, opgeschreven voor een langvergeten vriend ontworstelt hem aan de vergetelheid zolang ze wordt gelezen. Een lach welt op in mijn binnenste als ik hem, alsof het gisteren was, een nieuwe cabarettekst hoor uitproberen: ”Blauw-Beige, Blauw-Beige de kleur van haar sprei, ze spreidde haar benen en ik was er bij… Deze kaars brandde en verspreidde veel licht. De rook kringelt na het doven nog even omhoog… Hij leeft voort in zijn kinderen en daar ben ik oprecht blij om…

 

Dick de Jong 15 juni 1949 – 13 april 2009.

 

Terug naar boven

© W. D. Platje april 2009

Media:VideoTango

Meer schaak- en ander nieuws op www.tomsschaakboeken.nl