Schaakboeken 2



1   Basic Chess Endings, Rueben Fine

2   British Chess Magazine 1947                                                             

3   Frank J. Marshall’s Best Games of Chess, Marshall

4   Schachkongress Teplitz-Schönau, 1922

5   D. Noteboom, Dr. M. Euwe

 


meer schaak- en ander nieuws op www.tomsschaakboeken.nl

 

 

1

 

 

 

 

 


Als er zoiets als een canon van schaakboeken bestaat behoort ‘Basic Chess Endings’, Rueben Fine, David McKay Company, Inc., New York, 1941 – mijn exemplaar is een reprint van David McKay uit 1964 – daar toe. 

Uitgebreid overzicht van alle eindspelen. De doelgroep is de schaker in de praktijk. De onuitputtelijke hoeveelheid voorbeelden is grotendeels ontleend aan meesterpartijen. Maar er zijn ook theoretische stellingen, b.v. studies van Réti. Jammer dat er geen index van spelers, componisten e.d. is toegevoegd.

Wel is er een summiere bibliografie. Daarin schrijft hij o.a.  Berger’s THEORIE UND PRAXIS DER ENDSPIELE is the classic and has been invaluable throughout. This monumental work is the compendium of all previous research up to 1921.”

Hoog in de canon dus en een andere keer de schijnwerper op déze must.

S. Evan Kreider is op www.chessville.com van oordeel dat het gebruik van de beschrijvende notatie een groot bezwaar is en achterhaald. Hij bepleit een uitgave met de inmiddels algemeen gebruikelijke algebraïsche notatie. *)

De Basic Chess Endings is een mijlpaal in de behandeling van het eindspel en behoort in de reeks Berger, Euwe, Rabinowitsch, Chéron, Averbach. 

 

*) Opmerking van Eric van ’t Hof dd. 02.10.2007:

Ik ben het geheel eens met deze tekst, maar in aanvulling op de opmerking over de algebraïsche notatie, wil ik u erop wijzen dat zo'n uitgave al sinds 2003 bestaat, gereviseerd en aangevuld door Pal Benko, uitgegeven door McKay Chess Library.

 

 

 

2

 

 

 

 

Het verzamelen van schaakboeken is al vroeg begonnen. Een van de eerste boeken die ik te pakken kreeg was jaargang 1947 van
“The British Chess Magazine”, op de markt in Rotterdam betaalde ik, het zal 1951 of 52 geweest zijn, de som van 50 cents. Dat waren nog eens tijden.

Dit boek bracht mij in contact met de Engelse schaakwereld, de probleemrubriek van T.R. Dawson die een onuitwisbare indruk bij mij achterliet, een serie openingsartikelen over het Hollands, van Tartakower, de boeiende rubriek van R.N. Coles ‘One Hundred Years ago’, en onder veel meer, met een voor mij tot dan toe onbekende vormgeving van de stukken in het diagram. Op deze site is deze toegepast.

De rubriek van Coles heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen dat mijn belangstelling voor het schaken en diens helden van “toen” zo groot is geworden.

 

3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Frank J. Marshall’s Best Games of Chess, Marshall, Dover uitgave.

 

Na een dag van strooptochten naar schaakboeken in het Oosten des lands was de buit nihil. Nog één winkel geprobeerd. Er waren wat exemplaren voorradig maar in elk geval veel te duur. Om het gevoel van mislukking te vermijden kocht ik daar, misschien iets te duur, Marshall’s verzameling van eigen partijen, in de DOVER-reeks.

We kennen de fabelachtige zet in zijn partij tegen Stepan Lewitsky, Breslau, 1912: 23. … Dc3-g3 !!!
In dit boek is zij te vinden onder nummer 75.

Marshall: “Perhaps you have heard about this game, which so excited the spectators that they ‘showered me with gold pieces!’ I have often been asked whether this really happened. The answer is – yes, that is what happened, literally!”

Deze partij is geen fake, niet gespeeld op een wilde avond in de hoek van een café, met steeds hogere alcoholpercentages en sterkere verhalen.

Nee, zij werd volkomen regulier op 20 juli 1912 gespeeld in de 6de ronde van het 19de Schaakcongres van de Duitse Schaakbond in Breslau, nu Wroclaw. In de betreffende Olms (Band 56) staat ze tussen de andere partijen uit die ronde, t.w.:

 

Mieses–Rubinstein ½-½

Lewitsky-Marshall 0-1

Cohn-Treybal 0-1

Schlechter-Tarrasch ½-½

Breyer-Balla ½-½

Burn-Spielmann 0-1

Duras-Przepiorka 0-1

Teichmann-Carls ½-½

Barasz-Lowtzky 1-0

 

Was dat nou echt te veel geld voor dit boek? Anderen gaven alleen voor één partij, wat zeg ik, voor één zet al goudstukken!

 

 

4

 

 

 

 


Schach Kongress Teplitz Schönau 1922, Reprint Olms 1981.

Een monument met 660 bladzijden. De eerste helft van het boek bevat de uitvoerige analysen van het Meestertoernooi door Ernst Grünfeld en Prof.  A. Becker. Het tweede gedeelte is gewijd aan het Eerste Internationale Probleemtoernooi van Teplitz-Schönauer Anzeiger 1921/22, een aantal opstellen over problemen en eindspelstudies o.a. van Kraemer, Palatz, Dehler, Orlimont, Halumbirek en Sackmann. Verder is er nog een ‘Enzyklopädisches Schachwörterbuch’ van Tartakower, en een overzicht van Bachmann van de belangrijkste schaakmeesters met biografische gegevens en een korte karakteristiek van hun speelstijl. Kortom een goudmijn voor de schaakdelver.

Het toernooi - met veertien deelnemers - werd overigens gewonnen door Réti en Spielmann, elk 9 punten, gevolgd door Grünfeld en Tartakower met elk 8½ punten en Rubinstein met 8 punten.
Teplitz Schönau, een kuuroord dat tot 1918 Oostenrijks was maar nu behoort tot de Tsjechische Republiek.

 

 

5

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D. Noteboom Jr., Dr. M. Euwe, De Technische Boekhandel H. Stam, 1932.

Een helemaal Nederlands schaakboek dat gewijd is aan Daniël Noteboom, de uiterst talentvolle schaker die op zeer jeugdige leeftijd – zeker voor die tijd – furore maakte, maar al op 12 januari 1932 op 21 jarige leeftijd in Londen overleed. Het is zinloos te filosoferen over wat hij nog had kunnen bereiken …
Successen had hij al geboekt, b.v. tijdens Hastings 1929 waar hij Flohr versloeg “op een manier welke geen twijfel open liet.” Op het Landentoernooi in Hamburg, 1930 scoorde hij 11½ uit 15.

Het is een ouderwets mooi boek. Prachtig bandontwerp, mooi zwaar papier, en een portret van Noteboom.

Drie associaties.

Mijn Oom Ben – zie ook het verhaal over de Zwartjanstraat ’44-’45 – bezat twee schaakboeken, t.w. deeltje 1 van Euwe’s Theorie der Openingen en dit Noteboomgedenkboek. Zo maakte ik al heel jong kennis met de persoon en partijen van Noteboom.

Tijdens mijn periode in de SV Dordrecht was daar ook de heer P.H.J. Stam lid, die als vriend van Daniël Noteboom een bijdrage aan het gedenkboek leverde.

Ook, en heel lang, was de heer J.H. Wertheim *) lid van Dordrecht. Hij was een schilderachtige figuur, die op iedereen die hem meemaakte een diepe indruk achterliet. Zijn leven, hij werd geboren in Sint-Petersburg, is een biografie waard. Hij overleed op zeer hoge leeftijd.

Zowel de heer Stam als de heer Wertheim, in die periode o.a. Seniorenkampioen van Nederland, ben ik in de interne competities tegengekomen.

*) De eerdere vermelding dat de heer Wertheim samen met Nooteboom in Hamburg in de Olympiade speelde, is onjuist. Hij deed wel mee aan de ‘’Olympiade” van 1928.


www.tomsschaakboeken.nl