|
|
|||
|
|
|||
|
WaenSchaeck |
Fraaie historie ende alwaer. Magh ick u
tellen hoort ernaer! In den geest des schaeckers siet die menighe die
waensinnigheit ten top gevaer. Doch den schaecker is een waerlick tovenaer en
niets is minder waer! |
||
|
|
|||
|
Onzin is zinnige Waanzin |
|
Over de schrijver: Prof. Eberhard Taas Daamde. |
|
|
WaenSchaeck 2
|
|
|
|
|
Narrenpat Wanneer
ik zo af en toe terug in Nederland ben bekruipt me een gevoel van ontheemd
zijn. Ik ben in mijn vaderland, maar ik ken die vader niet meer. Ik zou me
thuis moeten voelen in de stad van mijn vroege jeugd, maar ik voel dat ik
hier eigenlijk niet meer thuis hoor. De twee prachtige kerken en het stadhuis
aan het Delftse plein staan er natuurlijk nog in hun majestueus
laatmiddeleeuwse grootsheid, maar ze zijn niet meer zoals vroeger een deel
van me. Alsof je iets verkocht hebt en er de nieuwe eigenaar mee ziet. Zo
voelt het. Waarvan je dacht, dat het van jou was is nu van een ander. Alles
is anders. De sfeer is anders, de mensen zijn anders, het hele leven is
anders. Versneld vooral. Haast. Een naar onbehagen besluipt me en ik vraag me
af waarom eigenlijk. Ik verzet me er tegen, maar het gevoel balling te zijn
in eigen land blijft aan me knagen. Het gebeurt dan wel eens, dat ik me uit
louter balorigheid voordoe als Vlaming. U moet
weten dat ik, sinds ik op mijn zevende vanwege een nieuwe diplomatieke
functie van mijn vader naar België mee moest verhuizen, een vloeiend en
vrijwel niet van echt te onderscheiden sappig Vlaams dialect kan spreken. Via
Sint-Job-in-'t-Goor, Heist-op-den-Berg, Wuustwezel en Herentals
kwamen we tenslotte te wonen in Waterloo, waar ik na het verscheiden van mijn
ouders overigens nog steeds woon. Mijn vader bekleedde in die dagen een vaag
Europees ambt in Brussel. De dag nadat hij de in mijn herinnering eerste grap
van zijn leven maakte: “Ik hoef mijn Waterloo niet te vinden, ik woon er al
…” vonden we hem dood tussen de bruinebonenplanten in het stukje tuin, dat
mijn moeder liefkozend met verwijzing naar de voornaam van mijn vader haar
“Stefansgaarde” noemde. Een dag na de begrafenis trof ik haar levenloos aan
in mijn vaders lederen zetel in de bibliotheek. In haar schoot lag een boek.
Op de grond een leeg glas. Ik rook eraan, maar kon de weeïge geur die eruit
opsteeg niet thuisbrengen… Als er
in de studentenstad dan op een terrasje aan de Markt een gesprekje over mijn
zojuist bestelde favoriete Oostmalle op gang komt, beschimp ik onmiddellijk
de Heineken in het glas van de ‘Ollanders’, die zonder op antwoord te wachten
– “Is deze stoel vrij?” - aan mijn
tafeltje hebben plaatsgenomen. “Awel…, Eineken…‘tis toch nie mier dan
een conserveringsmiddelke mèwa vuilwiet schuim”, daag ik hen uit. Steevast
word ik dan enigszins meewarig aangekeken. “Ach, u bent Belg”? “Maar neen! Vlaming zunne, en nen eel
echte!” antwoord ik dan en wacht vergenoegd op wat er zeker-en-vast komen
gaat. Lichtjes trekken dan doorgaans de mondhoeken van mijn Hollandse gesprekspartners
omhoog alsof ze zich moeten bedwingen om niet meteen de spreekwoordelijke
Belgische domheid in een oudbakken mop van zijn verpakking te ontdoen. Een
nauwelijks merkbaar dédain sluipt dan van hun kant in de verdere conversatie
en ik speel als een moderne Tijl mijn rol der zotheid. In de
eerste akte ben ik de risée van het aangroeiend gezelschap. Er verzamelen
zich doorgaans meer op een klucht beluste luisteraars rond mijn tafeltje.
Zeker als ik sluw begin van de grootste zwakten in hun stellingen gebruik te
maken: Ik voorzie ze van Leffes, Duvelkes en Krieken Lambiek en bovenal zijn
het mijn euro’s die rollen. “Albert of Beatrix, zjuust hetzelfde!” Ik
bevestig vervolgens hun vooroordelen over de kwaliteit van de universiteiten
bij de zuiderburen door de bij mijn plan behorende zet uit te voeren… Ik
vertel, gedwongen door hun gestaag afnemend vermogen iets anders dan
Laagnederlands woordgebruik in zich op te nemen, in steeds verstaanbaarder
Vlaams het volgende, overigens waar gebeurde verhaal: “Of het
te Leuven of te Gent was… ‘t Is dat ’t mij ontschoten is zunne. ’t Is te
zeggen…Ik denk eigenlijk te Leuven. Ja, nu ik er wat dieper over peis …Ja...
‘t Is Leuven. Het moet Leuven zijn geweest. Zeker-en-vast. Den universiteit Leuven
is iemmers ouder dan die in uw Leiden en ‘t is van uit die gekendheid, dat de
gebouwen van inzonderheid den medische faculteit in die’n dagen waarover ik u
nu vertel met daarin het labo niet meer aan den moderne eisen des tijds
voldeden en er dientengevolge na vele deliberaties onder de schepenen
besloten werd ze te vervangen. Ge weet, dat er ook bij ons op gebied van
besluit en uitvoering daarvan wel een zekere discrepantie in tijd zich kan
voordoen. Maar allee... Reeds na zes jaren verscheen er een kraan. Zoe ‘n
kraan met nen grote loden bal eraan. Een kraan, die zich op ratelende
rupsbanden naar de faculteitsgebouwen
ploegde om dan zijn eerste dreunende slag tegen den wand van het labo
te placeren. Ruiten braken. Voegen kraakten. Stenen barstten. Dakpannen
ratelden naar benee… Nog nen dreun. Nog éne… En ‘t is toen dat één der ramen
omhooggeschoven werd. Den ruit brak op het moment toen duidelijk waarneembaar
een lijkbleek gezichtje vol angst er van achter verscheen. Het werk werd
subiet stopgezet. Men snelde naar binnen en droeg een hevig ontdaan manneken
in veiligheid. Het bleek den amanuensis van het labo te zijn. Den goede
Stefaan… Wat was het geval? De plichtsgetrouwe Stefaan nu, was al die zes
jaren lang trouw naar zijnen arbeid gegaan. Het was hem wel vreemd te moede
geweest, toen hij op een maandagmorgen het gebouw vrijwel leeg aangetroffen
had. Dat wel. Zeker-en-vast. Maar men was het hem vergeten te vertellen.
Vergeten hem erover in te lichten. Onopvallende grijze muis als hij was had
men hem over het hoofd gezien. Vergeten hem elders onder te brengen. Vergeten
hem te ontslaan. Maar al die jaren kreeg hij wel zijn salaris uitgekeerd en
hij, de arme toegewijde ziel, had niets durven vragen en had dagelijks toen
maar zijn nevenwerkzaamheden, het schoonhouden, het kuisen van de gebouwen
uitgevoerd. Geschokt en met den daver nog in zijnen lijf vertelde hij hoe hij
de rest van zijn tijd had doorgebracht met het wachten op instructies, op
richtlijnen en er na drie jaren toe besloten had, dan maar een boekje met
honderd schaakpartijen mee te nemen. Op den draaibank had hij schaakstukken
gedraaid en na drie jaren won hij zijn eigen toernooi.” Onder
homerisch gelach over het uilengedrag van mijn vermeende landgenoten wordt me
neerbuigend voorgespiegeld, dat er vast nog honderden vergeten Belgen
betaalde arbeid verrichten waar dat “zeker-en-vast” niet nodig is en dan met
name in de regering…”Nog een geluk, dat Belgica nu ten minste één inwoner
heeft, die schaken heeft geleerd”. Ondertussen heeft niemand gemerkt, dat
gaandeweg mijn verhaal mijn Vlaamse tongval vrijwel geheel verdwenen is en
langzaam, heel langzaam openen de gordijnen zich voor de tweede akte en
schuif ik steels mijn pionnen op. Dan
knik ik bijvoorbeeld in de richting van de Oude Jan en zeg, alsof het de
gewoonste zaak van de wereld is, dat hun Piet Hein Zilvervloot en Maarten
Harpertszoon Tromp daar hun praalgraven hebben en dat den Vader des
Vaderlands zijn laatste rustplaats in de Nieuwe Kerk, aan de overkant van
waar wij nu in plezante ambians drinken, gevonden heeft. Men begint zich nu
lichtelijk te verbazen over de kennelijk groter dan verwachte kennis en
geestelijke vermogens van “Sjefke”. Ze haasten zich, in het vooruitzicht van
mijn gulheid, te beamen, dat mijn parate kennis over de geschiedenis van hun
eigen stad heel behoorlijk is. En als ik dan zeg, dat Johan van
Oldenbarneveldt hier op de markt werd onthoofd wordt er instemmend geknikt,
waarop ik met een: “U bent het kennelijk
met me eens…”, een eerste plaagstootje uitdeel, omdat immers “Elke
Nederlander die zijn canon kent hoort te weten, dat die door Maurits bevolen
executie wegens zogenaamd landverraad op het Binnenhof te Den Haag
plaatsvond? 1619… weten jullie het weer?” Ik merk het onhoorbaar vervloeken
van de Belg, die hun geschiedenis kennelijk beter kent dan zijzelf. Dit wordt
niet zo leuk als ze dachten, maar als “Polleke” het vingertje nog maar eens
een rondje laat beschrijven blijven ze op hun platzak zitten en luisteren met
lichte weerzin naar het verhaal, dat mijn derde akte vormt: “Wel,
beste taalgenoten”, vervolg ik, “Het was in ditzelfde Delft, in uw
provinciestad, dat er ooit een achteraf macaber voorval plaatsvond… Weliswaar
is het reeds zo’n vijfenzestig jaar geleden geschied, maar het werpt toch een
interessant licht op de intelligentie van de Nederlandse student vergeleken
met die van Stefaan, onze amanuensis. Ook in
die dagen werd den schaker als een adept van de geestelijk vermogenden gezien
en in de diverse studentenverenigingen alhier ter plaatse werd het spel dan
ook fanatiek beoefend. Wie talent bleek te hebben mat dit vanzelfsprekend
breed uit en ontleende er een aanzienlijk deel van zijn status aan, terwijl
de talentlozen grootmeesters werden in het verbergen van hun gebrek. Zo bezorgden
ze elkaar moedwillig remises, opdat in de studententoernooien niemand aan het
eind met een desastreuze nul achterbleef. De straf voor de laatste plaats,
het gejonast worden in de stinkende Oude Delft, was immers verre te verkiezen
boven het vonnis, dat over een nul geveld werd: levenslange uitsluiting van
alle activiteiten van de studentenschaaksociëteit … Het
geschiedde in die jaren, vlak na de oorlog, dat er op een toernooi nog twee
dilettanten elkaar tot laat in de avond bestreden. U moet weten, dat er in
die tijd geen limiet werd gesteld aan de duur van de partij. Enerzijds
vanwege het schrijnend tekort aan voldoende klokken en anderzijds vanuit de
prijzenswaardige instelling, dat hoe langer de partij duurde, hoe langer er
gekanteld kon worden. Rudolphus, Rudolf, Heslinga, geboren Leienaar en
achtstejaars vliegtuigtechniek, hing bij een remise niet voor de eerste maal
het lot van een natte landing zonder parachute in de gracht boven het hoofd
en was grimmig vastberaden die vernedering deze keer te ontlopen. Erwinus, Erwin,
Romme, zevendejaars Duitse taal en letterkunde, zou op dezelfde manier door
het zwaard van Damocles getroffen worden indien hij niet minstens tot een
puntendeling zou komen en had zich koste wat kost voorgenomen dat slechts
over zijn levenloos lichaam toe te staan. De
praeses¹ had hen samen met de ab-actis² bij het verlaten van de zaal onder de
eerste tonen van de ontwakende vogels nog toegelald, dat er hoe dan ook
gezwommen zou worden, maar ze zaten doof en halstarrig, voorovergebogen en
met rode hoofden gespannen naar het bord te staren. Toen de
sociëteit hen aan het begin van de volgende middag temidden van een slagveld
aan lege flessen en glazen aantrof was Erwinus voorovergezakt en lag met het
hoofd op de rand van de tafel te slapen. Rudolphus zat nog immer als een
onverzettelijke rots te zoeken naar een manier om de partij in zijn voordeel
te beslissen. Hij scheen steeds weer te aarzelen als hij de hand uitstrekte
om een zet te doen. Trok hem dan als hoofdsteun terug, verzonk weer in diep
gepeins en wreef zich de brandende rode ogen. Op de tenen lopend vulde zich
de zaal. Hier ontspon zich toch wel iets heel curieus! Rond de figuur van de
praeses werd mompelend overlegd en na enige tijd vertrok een delegatie van
vier man, waaronder de ab-actis en de thesaurus³, op kousenvoeten in de
richting van het podium met de beide combattanten. Daar aangekomen wierp het
kwartet een snelle blik op de spelers. Vervolgens een snelle blik op het
bord. Toen een snelle blik op elkaar. Verbijstering en ongeloof maakte op de
vier gezichten plaats voor een krampachtig ingehouden geproest. Met afgewend
hoofd werd er kennelijk vrolijk gewenkt en in het zog van de praeses werd de
vesting van Erwinus en Rudolphus bestormd. Daar groeiden in de slagorde der
toeschouwers lachsalvo’s aan tot kanongebulder van leedvermaak: Het was PAT!! Onder
grote hilariteit werden beide spelers met behulp van wat stevige spiritualia
weer enigszins bij zinnen gebracht. Van de gelegenheid werd gebruik gemaakt
om de gehele weekvoorraad van de sociëteit aan te spreken, waarna het
presidium zich achter de bar terugtrok om te beraadslagen en vonnis te
wijzen. Het verdict was een salomonsoordeel: Beiden wachtte, naast
levenslange uitsluiting, de Oude Delft. Erwinus, omdat hij Rudolphus niet had
gewezen op de ontstane patstelling en Rudolphus, omdat hij de elementaire
regelen der schaakkunst na jaren lidmaatschap nog immer niet kende. Protesten
baatten niet. Voorzien van de gebruikelijke zotskap werden beiden tegenstribbelend
boven de hoofden van een joelende menigte rond de Oude Jan gedragen en met
een grote boog aan de Oude Delft toevertrouwd.” Hier
zwijg ik even en neem in alle rust een slokje Oostmalle. De verhitte
gezichten van mijn gehoor aanschouwend stel ik vast dat de straffe Belgische
brouwsels waarop ik hen heb getrakteerd hun uitwerking niet hebben gemist.
Dat ik het meeste onopgemerkt tussen de kunstbloemen in de bak van de
terrasafscheiding direkt aan mijn rechterzijde heb geloosd hebben zij nu
juist wel gemist. Dan beginnen de eerste protesten op te klinken: “En wat
bewijzt da nou? Ut waren er maar dwee! De rezt kon bezt wel zchaak zpelen! In
België zijn helmaal geen grootmeezters!” Een paar vonken uit mijn ogen legt
ze maar heel even het zwijgen op en dus roep ik snel met het ronddraaiend vingertje
naar het bedienend personeel de Pavlov-reactie op en vraag of ze de slotakte
ook wensen te horen. Ze stoten elkaar jolig aan, hikkend en boerend verzoeken
ze me mijn verhaal af te maken. Ik wacht tot iedereen voorzien is en trek het
matnet dicht: “Wel”,
zeg ik, “Je moet van me aannemen, dat jonge mensen zoals jullie
ontvankelijker zijn voor dit soort vernederende emotionele ervaringen, dan
mensen met de leeftijd van uw verteller. Het is de tijd, leeftijd, die voor
jullie langzamer verloopt dan die van mij en jullie dwingt haar serieuzer te
nemen. Simpelweg omdat je er meer van bezit. Wat je later zult afdoen als
iets onbetekenends ervaar je nu als iets, dat je leven volkomen beheerst. Wat
nu als een brullende leeuw je geest verschrikt verwordt langzamerhand tot een
onbeduidende, piepende grijze muis”. Mijn
blik blijft even rusten op een meisje met een fijn gezichtje. Droeve bruine
ogen, maar met een geamuseerd trekje om haar mondhoeken. Eindelijk iemand die
me betrapt nu ik zo sluw ben overgegaan op het zangerige Delfts van mijn
jeugd. Nauwelijks merkbaar trekt ze haar wenkbrauwen op en knikt ze me toe.
Ze stelt me gerust. Ze zal me niet verraden zo vlak voor mijn triomf. Verbeeld
ik het me of misleidt mijn geheugen me met een vleug van herkenning? “Rudolf,”
vervolg ik, “verliet tot in het diepst van zijn ziel gekrenkt in desolate
toestand zijn comfortabele studentenkamer. Hij ontvluchtte als een gebroken
jongeman uit pure schaamte zijn zo vertrouwde omgeving en tekende de volgende
dagen geen presentielijsten meer voor zijn colleges. Niemand overigens, die
er aandacht aan schonk. Eerder werd er lacherig over gesproken. Het was
immers meer usance, dat de eeuwige student, de gekende innemer, niet
verscheen dan wel. Erwin bezocht de colleges af en toe nog wel en werd in de
dagen na het voorval zo nu en dan weleens opgemerkt in de cafés hier rond de
Markt, maar maakte een geknakte indruk. Een
week na het incident snelde het gerucht van mond tot mond in de mensa: Rudolf
is dood! Dood gevonden tussen de pastinaken in de Hortus Botanicus! In Leiden
Nota Bene! Ongeloof en verbijstering culmineerden een dag later in afgrijzen:
Ook Erwin was levenloos gevonden. In een lederen zetel in de blibliotheek van
de faculteit der Duitse Taal en Letterkunde. Op zijn schoot lag, opengeslagen
nog, de Schachnovelle van Stefan Zweig. Zijn verkrampte hand bedekte de passages
waarin de hoofdpersoon uiteindelijk onder de druk van zijn laatste
schaakpartij waanzinnig wordt. Op de grond een leeg glas, waaruit een weeïge
geur opsteeg, die men eerst niet thuis kon brengen...” Het
doek valt. Ik ben uitverteld en er valt een ongemakkelijke stilte op het
terras als ik hen allen één voor één aankijk. Mijn rechterwenkbrauw
veelbetekenend opgetrokken om de les, die ik hen heb geleerd, kracht bij te
zetten. Ze kijken elkaar aan. Sommigen kijken van me weg. Sommigen schuifelen
zwijgend van het toneel. Iemand haalt nog even adem, om zwakjes tegengas te
geven, maar zij is hem voor. “Professeur”, zegt ze, met een zacht
Zuid-Nederlands accent, “Wat een prachtig verhaal. Ge zijt nen Ollander, maar
ge had een Vlaams verteller kunnen zijn...” “Je
moet echt even van mijn zuid-amerikaanse bonenschotel proeven vanavond,
Professortje.” zegt ze als we opstaan en ons langzaam verwijderen. “Chili con
Carne?”, vraag ik, als ik haar plots aan haar stem herken. “Zeker en vast”,
zegt ze glimlachend. “Maar wel met gewone bruine bonen.” “Heerlijk,
Stefanie.” zeg ik en samen verlaten we innig gearmd, het publiek in opperste
verwarring achterlatend, het toneel… Terug
naar boven
¹ Praeses (Lat.)
Voorzitter. ² Ab-Actis (Lat.)
Secretaris. ³ Thesaurus (Lat.) Penningmeester. |
|||
|
Naschrift: Geen naschrift. |
|||
|
© Willem D. Platje jr. Mei 2009 |
|||
|
Meer schaak- en
ander nieuws op http://www.tomsschaakboeken.nl |
|||