WaenSchaeck

Fraaie historie ende alwaer. Magh ick u tellen hoort ernaer! In den geest des schaeckers siet die menighe die waensinnigheit ten top gevaer. Doch den schaecker is een waerlick tovenaer en niets is minder waer!

 

Onzin is zinnige Waanzin

 

Over de schrijver: Prof. Eberhard Taas Daamde.

 

 

WaenSchaeck 2

 

 

 

 

Prof. Stefan Taas Daamde jr. is als Bel-giëkenner en historicus in menig actualiteitenprogramma bij de publieke omroep een graag geziene gast. Als schaakmeester en freelance medewerker van deze rubriek laat hij zijn licht schijnen over een breed scala aan curieuze onderwerpen.

 

 

Narrenpat

 

Wanneer ik zo af en toe terug in Nederland ben bekruipt me een gevoel van ontheemd zijn. Ik ben in mijn vaderland, maar ik ken die vader niet meer. Ik zou me thuis moeten voelen in de stad van mijn vroege jeugd, maar ik voel dat ik hier eigenlijk niet meer thuis hoor. De twee prachtige kerken en het stadhuis aan het Delftse plein staan er natuurlijk nog in hun majestueus laatmiddeleeuwse grootsheid, maar ze zijn niet meer zoals vroeger een deel van me. Alsof je iets verkocht hebt en er de nieuwe eigenaar mee ziet. Zo voelt het. Waarvan je dacht, dat het van jou was is nu van een ander. Alles is anders. De sfeer is anders, de mensen zijn anders, het hele leven is anders. Versneld vooral. Haast. Een naar onbehagen besluipt me en ik vraag me af waarom eigenlijk. Ik verzet me er tegen, maar het gevoel balling te zijn in eigen land blijft aan me knagen. Het gebeurt dan wel eens, dat ik me uit louter balorigheid voordoe als Vlaming.

 

U moet weten dat ik, sinds ik op mijn zevende vanwege een nieuwe diplomatieke functie van mijn vader naar België mee moest verhuizen, een vloeiend en vrijwel niet van echt te onderscheiden sappig Vlaams dialect kan spreken. Via Sint-Job-in-'t-Goor, Heist-op-den-Berg, Wuustwezel en Herentals kwamen we tenslotte te wonen in Waterloo, waar ik na het verscheiden van mijn ouders overigens nog steeds woon. Mijn vader bekleedde in die dagen een vaag Europees ambt in Brussel. De dag nadat hij de in mijn herinnering eerste grap van zijn leven maakte: “Ik hoef mijn Waterloo niet te vinden, ik woon er al …” vonden we hem dood tussen de bruinebonenplanten in het stukje tuin, dat mijn moeder liefkozend met verwijzing naar de voornaam van mijn vader haar “Stefansgaarde” noemde. Een dag na de begrafenis trof ik haar levenloos aan in mijn vaders lederen zetel in de bibliotheek. In haar schoot lag een boek. Op de grond een leeg glas. Ik rook eraan, maar kon de weeïge geur die eruit opsteeg niet thuisbrengen…

 

Als er in de studentenstad dan op een terrasje aan de Markt een gesprekje over mijn zojuist bestelde favoriete Oostmalle op gang komt, beschimp ik onmiddellijk de Heineken in het glas van de ‘Ollanders’, die zonder op antwoord te wachten – “Is deze stoel vrij?” - aan mijn  tafeltje hebben plaatsgenomen. “Awel…, Eineken…‘tis toch nie mier dan een conserveringsmiddelke mèwa vuilwiet schuim”, daag ik hen uit. Steevast word ik dan enigszins meewarig aangekeken. “Ach, u bent Belg”?  “Maar neen! Vlaming zunne, en nen eel echte!” antwoord ik dan en wacht vergenoegd op wat er zeker-en-vast komen gaat. Lichtjes trekken dan doorgaans de mondhoeken van mijn Hollandse gesprekspartners omhoog alsof ze zich moeten bedwingen om niet meteen de spreekwoordelijke Belgische domheid in een oudbakken mop van zijn verpakking te ontdoen. Een nauwelijks merkbaar dédain sluipt dan van hun kant in de verdere conversatie en ik speel als een moderne Tijl mijn rol der zotheid.

 

In de eerste akte ben ik de risée van het aangroeiend gezelschap. Er verzamelen zich doorgaans meer op een klucht beluste luisteraars rond mijn tafeltje. Zeker als ik sluw begin van de grootste zwakten in hun stellingen gebruik te maken: Ik voorzie ze van Leffes, Duvelkes en Krieken Lambiek en bovenal zijn het mijn euro’s die rollen. “Albert of Beatrix, zjuust hetzelfde!” Ik bevestig vervolgens hun vooroordelen over de kwaliteit van de universiteiten bij de zuiderburen door de bij mijn plan behorende zet uit te voeren… Ik vertel, gedwongen door hun gestaag afnemend vermogen iets anders dan Laagnederlands woordgebruik in zich op te nemen, in steeds verstaanbaarder Vlaams het volgende, overigens waar gebeurde verhaal:

 

“Of het te Leuven of te Gent was… ‘t Is dat ’t mij ontschoten is zunne. ’t Is te zeggen…Ik denk eigenlijk te Leuven. Ja, nu ik er wat dieper over peis …Ja... ‘t Is Leuven. Het moet Leuven zijn geweest. Zeker-en-vast. Den universiteit Leuven is iemmers ouder dan die in uw Leiden en ‘t is van uit die gekendheid, dat de gebouwen van inzonderheid den medische faculteit in die’n dagen waarover ik u nu vertel met daarin het labo niet meer aan den moderne eisen des tijds voldeden en er dientengevolge na vele deliberaties onder de schepenen besloten werd ze te vervangen. Ge weet, dat er ook bij ons op gebied van besluit en uitvoering daarvan wel een zekere discrepantie in tijd zich kan voordoen. Maar allee... Reeds na zes jaren verscheen er een kraan. Zoe ‘n kraan met nen grote loden bal eraan. Een kraan, die zich op ratelende rupsbanden naar de faculteitsgebouwen  ploegde om dan zijn eerste dreunende slag tegen den wand van het labo te placeren. Ruiten braken. Voegen kraakten. Stenen barstten. Dakpannen ratelden naar benee… Nog nen dreun. Nog éne… En ‘t is toen dat één der ramen omhooggeschoven werd. Den ruit brak op het moment toen duidelijk waarneembaar een lijkbleek gezichtje vol angst er van achter verscheen. Het werk werd subiet stopgezet. Men snelde naar binnen en droeg een hevig ontdaan manneken in veiligheid. Het bleek den amanuensis van het labo te zijn. Den goede Stefaan… Wat was het geval? De plichtsgetrouwe Stefaan nu, was al die zes jaren lang trouw naar zijnen arbeid gegaan. Het was hem wel vreemd te moede geweest, toen hij op een maandagmorgen het gebouw vrijwel leeg aangetroffen had. Dat wel. Zeker-en-vast. Maar men was het hem vergeten te vertellen. Vergeten hem erover in te lichten. Onopvallende grijze muis als hij was had men hem over het hoofd gezien. Vergeten hem elders onder te brengen. Vergeten hem te ontslaan. Maar al die jaren kreeg hij wel zijn salaris uitgekeerd en hij, de arme toegewijde ziel, had niets durven vragen en had dagelijks toen maar zijn nevenwerkzaamheden, het schoonhouden, het kuisen van de gebouwen uitgevoerd. Geschokt en met den daver nog in zijnen lijf vertelde hij hoe hij de rest van zijn tijd had doorgebracht met het wachten op instructies, op richtlijnen en er na drie jaren toe besloten had, dan maar een boekje met honderd schaakpartijen mee te nemen. Op den draaibank had hij schaakstukken gedraaid en na drie jaren won hij zijn eigen toernooi.”

 

Onder homerisch gelach over het uilengedrag van mijn vermeende landgenoten wordt me neerbuigend voorgespiegeld, dat er vast nog honderden vergeten Belgen betaalde arbeid verrichten waar dat “zeker-en-vast” niet nodig is en dan met name in de regering…”Nog een geluk, dat Belgica nu ten minste één inwoner heeft, die schaken heeft geleerd”. Ondertussen heeft niemand gemerkt, dat gaandeweg mijn verhaal mijn Vlaamse tongval vrijwel geheel verdwenen is en langzaam, heel langzaam openen de gordijnen zich voor de tweede akte en schuif ik steels mijn pionnen op.

 

Dan knik ik bijvoorbeeld in de richting van de Oude Jan en zeg, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, dat hun Piet Hein Zilvervloot en Maarten Harpertszoon Tromp daar hun praalgraven hebben en dat den Vader des Vaderlands zijn laatste rustplaats in de Nieuwe Kerk, aan de overkant van waar wij nu in plezante ambians drinken, gevonden heeft. Men begint zich nu lichtelijk te verbazen over de kennelijk groter dan verwachte kennis en geestelijke vermogens van “Sjefke”. Ze haasten zich, in het vooruitzicht van mijn gulheid, te beamen, dat mijn parate kennis over de geschiedenis van hun eigen stad heel behoorlijk is. En als ik dan zeg, dat Johan van Oldenbarneveldt hier op de markt werd onthoofd wordt er instemmend geknikt, waarop ik met een:  “U bent het kennelijk met me eens…”, een eerste plaagstootje uitdeel, omdat immers “Elke Nederlander die zijn canon kent hoort te weten, dat die door Maurits bevolen executie wegens zogenaamd landverraad op het Binnenhof te Den Haag plaatsvond? 1619… weten jullie het weer?” Ik merk het onhoorbaar vervloeken van de Belg, die hun geschiedenis kennelijk beter kent dan zijzelf. Dit wordt niet zo leuk als ze dachten, maar als “Polleke” het vingertje nog maar eens een rondje laat beschrijven blijven ze op hun platzak zitten en luisteren met lichte weerzin naar het verhaal, dat mijn derde akte vormt:

 

“Wel, beste taalgenoten”, vervolg ik, “Het was in ditzelfde Delft, in uw provinciestad, dat er ooit een achteraf macaber voorval plaatsvond… Weliswaar is het reeds zo’n vijfenzestig jaar geleden geschied, maar het werpt toch een interessant licht op de intelligentie van de Nederlandse student vergeleken met die van Stefaan, onze amanuensis.

Ook in die dagen werd den schaker als een adept van de geestelijk vermogenden gezien en in de diverse studentenverenigingen alhier ter plaatse werd het spel dan ook fanatiek beoefend. Wie talent bleek te hebben mat dit vanzelfsprekend breed uit en ontleende er een aanzienlijk deel van zijn status aan, terwijl de talentlozen grootmeesters werden in het verbergen van hun gebrek. Zo bezorgden ze elkaar moedwillig remises, opdat in de studententoernooien niemand aan het eind met een desastreuze nul achterbleef. De straf voor de laatste plaats, het gejonast worden in de stinkende Oude Delft, was immers verre te verkiezen boven het vonnis, dat over een nul geveld werd: levenslange uitsluiting van alle activiteiten van de studentenschaaksociëteit …

 

Het geschiedde in die jaren, vlak na de oorlog, dat er op een toernooi nog twee dilettanten elkaar tot laat in de avond bestreden. U moet weten, dat er in die tijd geen limiet werd gesteld aan de duur van de partij. Enerzijds vanwege het schrijnend tekort aan voldoende klokken en anderzijds vanuit de prijzenswaardige instelling, dat hoe langer de partij duurde, hoe langer er gekanteld kon worden. Rudolphus, Rudolf, Heslinga, geboren Leienaar en achtstejaars vliegtuigtechniek, hing bij een remise niet voor de eerste maal het lot van een natte landing zonder parachute in de gracht boven het hoofd en was grimmig vastberaden die vernedering deze keer te ontlopen. Erwinus, Erwin, Romme, zevendejaars Duitse taal en letterkunde, zou op dezelfde manier door het zwaard van Damocles getroffen worden indien hij niet minstens tot een puntendeling zou komen en had zich koste wat kost voorgenomen dat slechts over zijn levenloos lichaam toe te staan.

De praeses¹ had hen samen met de ab-actis² bij het verlaten van de zaal onder de eerste tonen van de ontwakende vogels nog toegelald, dat er hoe dan ook gezwommen zou worden, maar ze zaten doof en halstarrig, voorovergebogen en met rode hoofden gespannen naar het bord te staren.

Toen de sociëteit hen aan het begin van de volgende middag temidden van een slagveld aan lege flessen en glazen aantrof was Erwinus voorovergezakt en lag met het hoofd op de rand van de tafel te slapen. Rudolphus zat nog immer als een onverzettelijke rots te zoeken naar een manier om de partij in zijn voordeel te beslissen. Hij scheen steeds weer te aarzelen als hij de hand uitstrekte om een zet te doen. Trok hem dan als hoofdsteun terug, verzonk weer in diep gepeins en wreef zich de brandende rode ogen. Op de tenen lopend vulde zich de zaal. Hier ontspon zich toch wel iets heel curieus! Rond de figuur van de praeses werd mompelend overlegd en na enige tijd vertrok een delegatie van vier man, waaronder de ab-actis en de thesaurus³, op kousenvoeten in de richting van het podium met de beide combattanten. Daar aangekomen wierp het kwartet een snelle blik op de spelers. Vervolgens een snelle blik op het bord. Toen een snelle blik op elkaar. Verbijstering en ongeloof maakte op de vier gezichten plaats voor een krampachtig ingehouden geproest. Met afgewend hoofd werd er kennelijk vrolijk gewenkt en in het zog van de praeses werd de vesting van Erwinus en Rudolphus bestormd. Daar groeiden in de slagorde der toeschouwers lachsalvo’s aan tot kanongebulder van leedvermaak: Het was PAT!!

 

Onder grote hilariteit werden beide spelers met behulp van wat stevige spiritualia weer enigszins bij zinnen gebracht. Van de gelegenheid werd gebruik gemaakt om de gehele weekvoorraad van de sociëteit aan te spreken, waarna het presidium zich achter de bar terugtrok om te beraadslagen en vonnis te wijzen. Het verdict was een salomonsoordeel: Beiden wachtte, naast levenslange uitsluiting, de Oude Delft. Erwinus, omdat hij Rudolphus niet had gewezen op de ontstane patstelling en Rudolphus, omdat hij de elementaire regelen der schaakkunst na jaren lidmaatschap nog immer niet kende. Protesten baatten niet. Voorzien van de gebruikelijke zotskap werden beiden tegenstribbelend boven de hoofden van een joelende menigte rond de Oude Jan gedragen en met een grote boog aan de Oude Delft toevertrouwd.”

 

Hier zwijg ik even en neem in alle rust een slokje Oostmalle. De verhitte gezichten van mijn gehoor aanschouwend stel ik vast dat de straffe Belgische brouwsels waarop ik hen heb getrakteerd hun uitwerking niet hebben gemist. Dat ik het meeste onopgemerkt tussen de kunstbloemen in de bak van de terrasafscheiding direkt aan mijn rechterzijde heb geloosd hebben zij nu juist wel gemist. Dan beginnen de eerste protesten op te klinken: “En wat bewijzt da nou? Ut waren er maar dwee! De rezt kon bezt wel zchaak zpelen! In België zijn helmaal geen grootmeezters!” Een paar vonken uit mijn ogen legt ze maar heel even het zwijgen op en dus roep ik snel met het ronddraaiend vingertje naar het bedienend personeel de Pavlov-reactie op en vraag of ze de slotakte ook wensen te horen. Ze stoten elkaar jolig aan, hikkend en boerend verzoeken ze me mijn verhaal af te maken. Ik wacht tot iedereen voorzien is en trek het matnet dicht:

 

“Wel”, zeg ik, “Je moet van me aannemen, dat jonge mensen zoals jullie ontvankelijker zijn voor dit soort vernederende emotionele ervaringen, dan mensen met de leeftijd van uw verteller. Het is de tijd, leeftijd, die voor jullie langzamer verloopt dan die van mij en jullie dwingt haar serieuzer te nemen. Simpelweg omdat je er meer van bezit. Wat je later zult afdoen als iets onbetekenends ervaar je nu als iets, dat je leven volkomen beheerst. Wat nu als een brullende leeuw je geest verschrikt verwordt langzamerhand tot een onbeduidende, piepende grijze muis”.

 

Mijn blik blijft even rusten op een meisje met een fijn gezichtje. Droeve bruine ogen, maar met een geamuseerd trekje om haar mondhoeken. Eindelijk iemand die me betrapt nu ik zo sluw ben overgegaan op het zangerige Delfts van mijn jeugd. Nauwelijks merkbaar trekt ze haar wenkbrauwen op en knikt ze me toe. Ze stelt me gerust. Ze zal me niet verraden zo vlak voor mijn triomf. Verbeeld ik het me of misleidt mijn geheugen me met een vleug van herkenning?

 

“Rudolf,” vervolg ik, “verliet tot in het diepst van zijn ziel gekrenkt in desolate toestand zijn comfortabele studentenkamer. Hij ontvluchtte als een gebroken jongeman uit pure schaamte zijn zo vertrouwde omgeving en tekende de volgende dagen geen presentielijsten meer voor zijn colleges. Niemand overigens, die er aandacht aan schonk. Eerder werd er lacherig over gesproken. Het was immers meer usance, dat de eeuwige student, de gekende innemer, niet verscheen dan wel. Erwin bezocht de colleges af en toe nog wel en werd in de dagen na het voorval zo nu en dan weleens opgemerkt in de cafés hier rond de Markt, maar maakte een geknakte indruk.

 

Een week na het incident snelde het gerucht van mond tot mond in de mensa: Rudolf is dood! Dood gevonden tussen de pastinaken in de Hortus Botanicus! In Leiden Nota Bene! Ongeloof en verbijstering culmineerden een dag later in afgrijzen: Ook Erwin was levenloos gevonden. In een lederen zetel in de blibliotheek van de faculteit der Duitse Taal en Letterkunde. Op zijn schoot lag, opengeslagen nog, de Schachnovelle van Stefan Zweig. Zijn verkrampte hand bedekte de passages waarin de hoofdpersoon uiteindelijk onder de druk van zijn laatste schaakpartij waanzinnig wordt. Op de grond een leeg glas, waaruit een weeïge geur opsteeg, die men eerst niet thuis kon brengen...”

 

Het doek valt. Ik ben uitverteld en er valt een ongemakkelijke stilte op het terras als ik hen allen één voor één aankijk. Mijn rechterwenkbrauw veelbetekenend opgetrokken om de les, die ik hen heb geleerd, kracht bij te zetten. Ze kijken elkaar aan. Sommigen kijken van me weg. Sommigen schuifelen zwijgend van het toneel. Iemand haalt nog even adem, om zwakjes tegengas te geven, maar zij is hem voor. “Professeur”, zegt ze, met een zacht Zuid-Nederlands accent, “Wat een prachtig verhaal. Ge zijt nen Ollander, maar ge had een Vlaams verteller kunnen zijn...”

 

“Je moet echt even van mijn zuid-amerikaanse bonenschotel proeven vanavond, Professortje.” zegt ze als we opstaan en ons langzaam verwijderen. “Chili con Carne?”, vraag ik, als ik haar plots aan haar stem herken. “Zeker en vast”, zegt ze glimlachend. “Maar wel met gewone bruine bonen.” “Heerlijk, Stefanie.” zeg ik en samen verlaten we innig gearmd, het publiek in opperste verwarring achterlatend, het toneel…

 

Terug naar boven

 

¹ Praeses (Lat.) Voorzitter.

² Ab-Actis (Lat.) Secretaris.

³ Thesaurus (Lat.) Penningmeester.

 

 

Naschrift: Geen naschrift.

 

© Willem D. Platje jr. Mei 2009

 

Meer schaak- en ander nieuws op http://www.tomsschaakboeken.nl