|
Competities: Gelijke situaties
vragen gelijke behandeling meer schaak- en ander nieuws op www.tomsschaakboeken.nl |
|
|
|
In gelijke situaties worden mensen
gelijk behandeld. Artikel 1 van de grondwet is duidelijkheid. Zo lijkt het,
maar tussen theorie en praktijk zit soms een wereld van verschil. De schaakwereld is zo'n voorbeeld met
één landelijke bond en dertien onderbonden met een eigen geschiedenis en ook
(deels) een eigen autonomie. De eigenheid is soms logisch en soms alleen maar
zo omdat het uit het verleden is gegroeid. Tot nu toe is het niet gelukt om de onnodige bureaucratie uit te
bannen en de slagvaardigheid te vergroten door bijvoorbeeld competitiereglementen
meer op elkaar af te stemmen. Het zou beter zijn om alle regels standaard
gelijk te maken en alleen daar waar echt weloverwogen dat nodig is een eigen
inkleuring tot te staan. Nu is het vaak lastig, want in de ene situatie heeft een lid van
de bond andere rechten als hij of zij zijn contributie betaalt, dan in een
andere onderbond. Ook kan niet in elke situatie iemand volledig zijn of haar rechten
uitoefenen. Een in het oog springend punt is daarbij wel: Hoe vaak mag iemand extern voor een vereniging uitkomen in
wedstrijden vallend onder KNSB en bonden. Mijn vertrekpunt zou zijn, dat iemand
dat zelf moet kunnen bepalen, tenzij er strijdigheid van (competitie)
belangen zou kunnen gaan ontstaan. Het begrip competitievervalsing uit
artikel 30 van het RSB-competitiereglement is een uitstekend handvat om de
grenzen aan te geven van de mogelijkheden die er zijn om voor meer clubs uit
te komen. Ik heb ook liever dus dat mensen KNSB/onderbondscontributie
betalen en daarvoor veel in eigen land kunnen spelen, dan zich gedwongen voelen
over de grenzen overal extern te gaan spelen. Door de krimpende schaakwereld
moet je immers creatief zorgen dat zoveel mogelijk mensen kunnen schaken,
want dat helpt de sport deze tijden door. De KNSB en de onderbonden hebben daarbij een schaakbevorderende
regiefunctie en liever niet meer dan dat, tenzij er een belangenbotsing
vraagt om een helder onderzoek en een heldere keuze. De KNSB heeft dat begrepen en geeft mensen die contributie
betalen dus de gelegenheid om voor meer verenigingen extern te spelen. Dat
kan dus zijn in een KNSB-team en in de onderbondscompetitie en/of in twee of
meer onderbondscompetities. Daarom is het goed om eens de visie van de KNSB op te schrijven: De KNSB (competitieleider) kan dispensatie verlenen voor het
spelen voor twee verenigingen. Deze dispensatie wordt door de competitieleider verleend als: - de speler maar voor één vereniging uitkomt in de KNSB
competitie - alle betrokken regionale bonden akkoord gaan met de
dispensatie. Wat betreft het tweede punt, de regeling bij de regionale bonden
is zeer verschillend. Dat varieert van afwijzing, maximaal 3 wedstrijden tot
volledig toestaan. Tot zover de KNSB. Een rondje door schakend Nederland leert, dat bijvoorbeeld de
Brabantse bond royaal medewerking verleende, maar dat in Leiden er 180 graden
anders over werd gedacht. De RSB zat op het Brabantse spoor en artikel 30 van
het competitiereglement is daarvoor uitstekend geschikt. De competitieleider van de RSB heeft tot nu toe altijd
medewerking gegeven. Nu is er een discussie op gang gekomen tussen Sliedrecht
en de competitieleider van de RSB. Een talentvolle jeugdspeelster kan
training volgen in Brabant en moet daarvoor wel extern mee kunnen doen in
KNSB/onderbondscompetitie. De praktijk tot nu toe, laat dat toe. De competitieleider van de RSB zegt alleen NU geen dispensatie
te kunnen geven, want het reglement zou alleen maar toestaan dat mensen in meerdere
onderbonden extern mogen spelen en niet in een onderbond en KNSB-competitie.
In het RSB reglement staat daar niks over en ook de KNSB heeft geen bezwaar. De competitieleider beroept zich nu op gewoonterecht uit het
verleden. Zijn voorganger heeft artikel 30 ingeperkt. Ik citeer de
competitieleider: “Bij de indeling
voor de competitie stuur ik altijd een document (competitiebulletin) mee,
waarin ook de dispensatieregeling onder de aandacht gebracht wordt. Tot zover de
competitieleider van de RSB De competitieleider
constateert terecht, dat de reglementen niet altijd helder zijn en dat zoals
ik bij mijn inleiding aangaf theorie en praktijk lastig is bij toetsing aan In
gelijke situaties moeten mensen gelijk worden behandeld. Het gaat alleen te ver dat hij op basis van zijn eigen inzichten
(ik citeer hem: er zou mijns inziens moeten staan enz.) een wending brengt in
het competitierecht. De ledenvergadering van de RSB heeft alleen die
bevoegdheid en komt woensdagavond 9 september ook bijeen om zich daarover uit
te kunnen spreken. Ik zou de leden adviseren om geen veranderingen nu door te
voeren en te kijken hoe in overleg met het bestuur bijvoorbeeld een commissie
kan gaan kijken of theorie en praktijk van alle competitieregels in schakend
Nederland meer kan gaan sporen met artikel 1 van de grondwet. De schaakwereld
bestaat langer dan de huidige tekst van artikel 1, maar is er aan gebonden
als rechtspersoon en zal dat ook voor ogen dienen te houden. Hans Berrevoets |
|
www.tomsschaakboeken.nl |