Competities: Gelijke situaties vragen

 gelijke behandeling

 

 

meer schaak- en ander nieuws op www.tomsschaakboeken.nl

 

 

 

08.09.09 (door Hans Berrevoets)

 

In gelijke situaties worden mensen gelijk behandeld. Artikel 1 van de grondwet is duidelijkheid. Zo lijkt het, maar tussen theorie en praktijk zit soms een wereld van verschil.

De schaakwereld is zo'n voorbeeld met één landelijke bond en dertien onderbonden met een eigen geschiedenis en ook (deels) een eigen autonomie. De eigenheid is soms logisch en soms alleen maar zo omdat het uit het verleden is gegroeid.

 

Tot nu toe is het niet gelukt om de onnodige bureaucratie uit te bannen en de slagvaardigheid te vergroten door bijvoorbeeld competitiereglementen meer op elkaar af te stemmen. Het zou beter zijn om alle regels standaard gelijk te maken en alleen daar waar echt weloverwogen dat nodig is een eigen inkleuring tot te staan.

 

Nu is het vaak lastig, want in de ene situatie heeft een lid van de bond andere rechten als hij of zij zijn contributie betaalt, dan in een andere onderbond. Ook kan niet in elke situatie iemand volledig zijn of haar rechten uitoefenen.

 

Een in het oog springend punt is daarbij wel:

Hoe vaak mag iemand extern voor een vereniging uitkomen in wedstrijden vallend onder KNSB en bonden. Mijn vertrekpunt zou zijn, dat iemand dat zelf moet kunnen bepalen, tenzij er strijdigheid van (competitie) belangen zou kunnen gaan ontstaan. Het begrip competitievervalsing uit artikel 30 van het RSB-competitiereglement is een uitstekend handvat om de grenzen aan te geven van de mogelijkheden die er zijn om voor meer clubs uit te komen.

 

Ik heb ook liever dus dat mensen KNSB/onderbondscontributie betalen en daarvoor veel in eigen land kunnen spelen, dan zich gedwongen voelen over de grenzen overal extern te gaan spelen. Door de krimpende schaakwereld moet je immers creatief zorgen dat zoveel mogelijk mensen kunnen schaken, want dat helpt de sport deze tijden door.

De KNSB en de onderbonden hebben daarbij een schaakbevorderende regiefunctie en liever niet meer dan dat, tenzij er een belangenbotsing vraagt om een helder onderzoek en een heldere keuze.

 

De KNSB heeft dat begrepen en geeft mensen die contributie betalen dus de gelegenheid om voor meer verenigingen extern te spelen. Dat kan dus zijn in een KNSB-team en in de onderbondscompetitie en/of in twee of meer onderbondscompetities.

 

 

Daarom is het goed om eens de visie van de KNSB op te schrijven:

De KNSB (competitieleider) kan dispensatie verlenen voor het spelen voor twee verenigingen.

Deze dispensatie wordt door de competitieleider verleend als:

- de speler maar voor één vereniging uitkomt in de KNSB competitie

- alle betrokken regionale bonden akkoord gaan met de dispensatie.

 

Wat betreft het tweede punt, de regeling bij de regionale bonden is zeer verschillend. Dat varieert van afwijzing, maximaal 3 wedstrijden tot volledig toestaan.

Tot zover de KNSB.

 

Een rondje door schakend Nederland leert, dat bijvoorbeeld de Brabantse bond royaal medewerking verleende, maar dat in Leiden er 180 graden anders over werd gedacht. De RSB zat op het Brabantse spoor en artikel 30 van het competitiereglement is daarvoor uitstekend geschikt.

 

De competitieleider van de RSB heeft tot nu toe altijd medewerking gegeven. Nu is er een discussie op gang gekomen tussen Sliedrecht en de competitieleider van de RSB. Een talentvolle jeugdspeelster kan training volgen in Brabant en moet daarvoor wel extern mee kunnen doen in KNSB/onderbondscompetitie. De praktijk tot nu toe, laat dat toe.

De competitieleider van de RSB zegt alleen NU geen dispensatie te kunnen geven, want het reglement zou alleen maar toestaan dat mensen in meerdere onderbonden extern mogen spelen en niet in een onderbond en KNSB-competitie. In het RSB reglement staat daar niks over en ook de KNSB heeft geen bezwaar.

De competitieleider beroept zich nu op gewoonterecht uit het verleden. Zijn voorganger heeft artikel 30 ingeperkt. Ik citeer de competitieleider:

 

“Bij de indeling voor de competitie stuur ik altijd een document (competitiebulletin) mee, waarin ook de dispensatieregeling onder de aandacht gebracht wordt.

 
Dit document heb ik toen ik begon overgenomen van mijn voorganger en daarin wordt duidelijk omschreven wat de voorwaarde is: als men dispensatie aanvraagt kan een lid uitkomen voor
één team in de RSB-competitie en één team in een andere regionale competitie. In het bulletin van dit jaar heb ik ook nog toegevoegd "(dus geen KNSB)".
 
Het genoemde artikel is inderdaad dubbel te interpreteren. Er zou mijns inziens moeten staan: Het bestuur van de RSB kan aan een speler, die reeds uitkomt in een competitie voor een vereniging in 1 of meer bij de KNSB aangesloten regionale bonden, dispensatie verlenen voor deelname aan de RSB-competitie.”

Tot zover de competitieleider van de RSB

 

 

De competitieleider constateert terecht, dat de reglementen niet altijd helder zijn en dat zoals ik bij mijn inleiding aangaf theorie en praktijk lastig is bij toetsing aan In gelijke situaties moeten mensen gelijk worden behandeld.

 

Het gaat alleen te ver dat hij op basis van zijn eigen inzichten (ik citeer hem: er zou mijns inziens moeten staan enz.) een wending brengt in het competitierecht. De ledenvergadering van de RSB heeft alleen die bevoegdheid en komt woensdagavond 9 september ook bijeen om zich daarover uit te kunnen spreken.

 

Ik zou de leden adviseren om geen veranderingen nu door te voeren en te kijken hoe in overleg met het bestuur bijvoorbeeld een commissie kan gaan kijken of theorie en praktijk van alle competitieregels in schakend Nederland meer kan gaan sporen met artikel 1 van de grondwet. De schaakwereld bestaat langer dan de huidige tekst van artikel 1, maar is er aan gebonden als rechtspersoon en zal dat ook voor ogen dienen te houden.

 

Hans Berrevoets

 

 

 

www.tomsschaakboeken.nl