|
NIEUWS UIT DE RSB
|
||||
|
30.12.07 LEER JONGE KINDEREN SCHAKEN!
Het
Bestuur van de RSB heeft in De Havenloods een advertentie geplaatst voor deelname aan de opleiding tot
SCHOOLSCHAAKLERAAR (m/v).
Voorjaar 2007 Uitvoerige discussie over wijziging van art 5 van de
RSB-statuten
-
Schaakdebat over RSB op Utrechts forum -
Reactie van 3 TORENS op discussie rond artikel 5
RSB-statuten
-
Verzet Sliedrecht tegen ”bestrijding” van
verenigingen Bijdrage aan de discussie rond art. 5 van de RSB-statuten -
De RSB verdient net als clubs veel nieuwe leden,
maar hoe? Een helder en kritisch commentaar van Hans Berrevoets op de
voorgenomen wijziging van art. 5 van de RSB-statuten -
Statutenwijziging RSB ? Lees de Concept Notulen van A.L. 9 mei 2007 -
Ter overweging: discussiestuk
van RSB over de inrichting van de competitie (Bron RSB) -
Waarheen met de RSB – Competitie? Een samenvatting van het een en ander en de uitkomst van de
enquête. (Bron: RSB) -
RSB-site |
||||
|
Het plan van het RSB bestuur om artikel vijf van de statuten aan te
passen is de aanleiding. Het onderwerp wordt inmiddels breed belicht. Ook worden veel
suggesties gedaan om de schaakbonden te vernieuwen, zodat meer mensen gaan
overwegen om lid te worden. Het doel dat het RSB-bestuur voor ogen heeft is
immer helder: Meer leden voor de schaakorganisaties. De weg staat alleen ter
discussie en dat levert boeiende vergezichten op. Inderdaad kunnen er veel
wegen zijn die kunnen leiden naar het doel. Het Utrechtse forum, met als webmaster de voormalige Dordtse schaker
Xander Wemmers, mag zich in landelijke schaakkringen in een grote
belangstelling verheugen. In het gesprek (of het draadje) over
de RSB koers zal het vooral moeten gaan over de zaak, die we
allemaal dienen: Meer mensen van alle leeftijden attent maken op de boeiende,
leuke, interessante, gezonde kanten van de schaaksport en uiteindelijk meer leden voor onze sport om die
toekomst bestendig te maken. |
||||
|
REACTIE OP DISCUSSIE ROND ARTIKEL VIJF RSB Vanuit de
RSB-schaakvereniging 3 Torens uit Berkel wordt oa op de volgende manier
gereageerd op de RSB artikel 5 discussie:
Bij 3-Torens noemen we
dat pionleden. In onze statuten staat zwart op wit dat de vereniging ook
leden kent die niet automatisch aangemeld worden bij RSB/KNSB (siamese
tweeling). Deze pionleden mogen niet meedoen aan interne of externe
competitie maar zijn welkom om af en toe een potje mee te schuiven. Kijk ook even naar
artikel 13 waarin vermeld wordt dat een lid geroyeerd kan worden wanneer deze
de RSB in diskrediet brengt. Pas dus maar even op met je kritiek. Juridisch gezien is
elke schaakvereniging die aangesloten wil zijn bij RSB/KNSB natuurlijk een
onderafdeling van RSB/KNSB. Je statuten mogen formeel niet in tegenspraak
zijn met die van de moederbond. Wel kun je een samenwerkingsverband aangaan
met een aparte vereniging voor soosleden, desnoods onder de dekmantel van een
denksportcentrum, maar dat vereist enige juridische kunstgrepen." |
||||
|
Discussie rond wijziging van artikel vijf van de RSB-statuten Schaakclub
Sliedrecht voert actie tegen het plan van het RSB-bestuur om met
scherpere regels te komen voor schaakclubs. De achtergrond is dat de RSB via
een wijziging van de statuten een middel wil hebben om clubs te bestrijden,
die niet snel genoeg schakers lid maken van de RSB en KNSB. Onder
het motto ,, Let op waar U voor stemt op 12 september
bij de RSB” heeft de
vereniging Sliedrecht een verklaring gestuurd aan bevriende (schaak)
relaties. Secretaris Kees Wessels laat daarin weten dat zijn club zelf wil
bepalen hoe met schaakliefhebbers wordt omgesprongen. Daarom kondigt
Sliedrecht aan op de RSB-ledenvergadering van 12 september tegen de
wijzigingen van artikel vijf te stemmen. De verklaring die namens schaakclub
Sliedrecht door secretaris Kees Wessels bekend is gemaakt luidt: Geachte schaakvriend, Op 12 september 2007 vindt de Algemene Ledenvergadering van de RSB Wessels wijst op een debat over het onderwerp op een internetforum: http://www.utrechtschaak.nl/forum.aspx onder de naam "Met regels of in en verder wordt er op dit onderwerp ingegaan op Tevens
is er informatie te vinden op de site van de RSB. |
||||
|
De RSB verdient net als
clubs veel nieuwe leden, maar hoe? (door Hans Berrevoets)
De
georganiseerde schaakwereld heeft dringend meer geregistreerde leden
nodig om als schaaksport een steviger vuist te kunnen maken. Tot nu toe is de
ontwikkeling alleen de andere kant op. De
landelijke schaakbond KNSB dreigt zelfs onder de twintigduizend leden te
komen. Dat is jammer. Iedereen wil graag een positief schaakklimaat
bevorderen. De vraag is alleen: Via welke weg wordt dat het beste bereikt?
Het is bekend dat het
bestuur van de RSB werkt aan de bevordering van het schaakklimaat. Elke
schaakliefhebber zou bereikt moeten kunnen worden door clubs, schaaksozen en
andere activiteiten. In welke levensfase iemand zit: schaken kan altijd! Blijven schaken kan
zelfs voor senioren van krasse leeftijd een gezondheidsadvies zijn, om bij de
samenleving betrokken te blijven. De oud-dameskampioene Catherina Roodzant
had het schaken zelfs nog lief tot na haar eeuwfeest. Promotie, werving,
persoonlijk contact, leuke evenementen, leeftijdsbewust schaken en nog veel
meer behoort tot de normale instrumenten om de schaaksport te laten (door)
klinken. Dan wil je gewoon graag lid worden. De vraag is of er nog andere,
zwaardere en verdergaande instrumenten ingezet zouden moeten worden om
mensen lid te maken. ARTIKEL 5 Het RSB bestuur heeft
een middel in voorbereiding, dat stap verder gaat. De opzet is om op de
algemene ledenvergadering van 12 september een wijziging door te voeren in de
statuten (artikel 5). Schaakclubs worden sneller verplicht om mensen
officieel aan te melden bij de RSB en KNSB. In artikel 5 is het begrip "leden"
nauwkeuriger omschreven zodat alle leden van de verenigingen ook lid zijn van
de RSB, zo is de redenering van de RSB. Volgens een ontwerpverslag van een
vergadering in mei van de RSB is artikel 5 bedoeld als stok om de hond te
slaan. Ik citeer: ,,De voorzitter
merkt op dat het juridische aspect niet het belangrijkste is, maar dat we de
verenigingen die hun leden niet als lid van de RSB opgeven willen
bestrijden." Deze ene regel weerspiegelt niet het normale
vriendelijke en genuanceerde oordeel van de voorzitter. Hij is altijd in voor
schaakpromotie en spreekt ook langer dan die ene zin. Het woord bestrijden
past alleen op het bord, maar niet bij normale verhoudingen tussen RSB
en schaakclubs. Het woord en de wijziging van artikel vijf
lijkt mij voor een positief schaakklimaat wel erg kort door de bocht. De vraag is
tevens: Gaat de RSB niet op een te grote stoel gaat zitten, waarop de
organisatie niet hoort en niet past?
STATUTEN De verenigingen hebben
eigen statuten en reglementen. Doel en middelen zijn daarin naar eigen
inzichten omschreven. Om dat in overeenstemming te brengen met de eisen
in het burgelijk wetboek 2 zijn er vaak notarissen aan te pas gekomen. Elke
club probeert vaak de eigen cultuur, de eigen doelstellingen in statuten en
reglementen vast te leggen. Dat past ook binnen de vrijheid van vereniging in
Nederland. De clubs zijn volledig bevoegd. Als de club zo ingrijpend in de
interne beleidsvoering worden beperkt, is meer dan zomaar een keuze. Immers: Het
grondwettelijk recht voor vrijheid van vereniging gaat uit boven de wijziging
van artikel 5 van de RSB. Dat artikel vijf kan botsen met de
handelingsvrijheid van clubs volgens de eigen doelstellingen
en middelen, waaraan in het verleden eigen ledenvergaderingen goedkeurig
hebben gegeven. Als de RSB zo artikel
5 wenst te wijzigen, lijkt het distrikt zo boven de clubs te staan. Dat is
historisch en praktisch gezien onjuist. De clubs hebben in 1931 de RSB in het
leven geroepen om zaken te organiseren van gezamelijk belang. Het is
democratie dus van onderop en niet van bovenaf met een dirigent die de muziek
voorschrijft. PARTIJ De verenigingen zijn
immers geen (onder) afdeling van een partij, die van bovenaf model statuten
en reglementen voorschrijft. De verenigingen zijn zelfstandige
rechtspersoon, die zelf bevoegd zijn om keuzes te maken. Zo moet dat blijven.
Het RSB verdient ook ruimte en te kunnen besturen, maar daarvoor is geen
ander artikel vijf nodig. Voorlopig ben ik niet overtuigd van de noodzaak om
een stok te gaan maken om de hond (lees clubs) te slaan. De enige strijd die we
samen moeten voeren is om meer leden te werven door een positief
schaakklimaat te scheppen. Het stellen van regels en nog eens regels past
niet bij deze tijd. Het gaat om een actieve houding, die niet is afgedwongen.
De RSB kan zorgen voor
een positief schaakruimte, waarin dat allemaal maximaal lukt. We kunnen dus beter
alle energie steken in positieve strijd voor meer leden en vooral ook
meer schakers. De vijver waarin de georganiseerde schaaksport moet blijven
vissen naar nieuwe leden moet snel groter worden. Bijlage: Huidige
artikel 5 en voorgestelde veranderingen:
|
||||
|
Concept Notulen 155e Algemene Ledenvergadering 9 mei 2007
|
||||
|
WAARHEEN MET DE RSB – COMPETITIE? Bij sport hoort ontegenzeglijk een competitie element. Men wil zijn
eigen kracht of dat van een team waar men deel van uitmaakt meten waarbij de resultaten
van gespeelde wedstrijden, in ons geval ook schaakpartijen, een indicatie
geven van die sterkte. Om aan de competitiewens van de schakers, waartoe ik mij verder zal
beperken, tegemoet te komen organiseert de schaakvereniging onderlinge
wedstrijden, gewoonlijk aangeduid als de huishoudelijke competitie.
Afhankelijk van de omvang van het deelnemersveld kan door een indeling in
klassen en de daaraan verbonden promotie- en degradatieregeling nog een extra
element van spanning worden ingebracht. Naast de huishoudelijke competities geeft een externe competitie een
extra dimensie aan de schaaksport, n.l
die van teamsport. Teams samengesteld uit leden van een vereniging
nemen het op tegen van andere verenigingen en ook hier zorgt de klasse
indeling en de daaraan verbonden promotie – en degradatie voor de nodige
spanning. Het welslagen van de competities, zowel huishoudelijk als extern,
hangt in hoge mate af van het gekozen systeem, de indeling en het sportieve
wedstrijdelement. Met dit laatste wil ik duiden op de gewenste
gelijkwaardigheid van de tegenstand. Schaken tegen een veel te sterke of een
veel te zwakke tegenstander geeft op den duur geen bevrediging. In de RSB – competitie hebben we jarenlang gewerkt volgens een rooster
systeem en een indeling in klassen naar een piramidaal model, d.w.z. aan de
onderkant een brede basis en naar boven toe spits toelopend. In ideale vorm
komt dit neer op: Promotieklasse 1 groep van
8 teams 1e klasse 2 groepen van
8 teams 2e klasse 4 groepen van
8 teams 3e klasse 8 groepen van
8 teams 4e klasse 16 groepen van 8 teams Om een dergelijke opbouw als succesvol te kunnen aanmerken moet het
wel aan een aantal voorwaarden voldoen. Ten eerste moeten er voldoende teams per groep zijn, waarbij de ervaring
ons heeft geleerd dat voor de RSB- competitie acht teams per groep een goed
aantal is. Bij grotere aantallen wordt het tijdsbeslag te groot en dat gaat
ten koste van de huishoudelijke competities. Ten tweede moeten de teams niet te klein zijn om te voorkomen dat de
aanwezigheid en het geboekte resultaat van één of twee relatief sterke of
zwakke spelers te veel gewicht hebben, in positieve of negatieve zin, voor de
totaaluitslag van de wedstrijd. Ten derde moet de gemiddelde speelsterkte van de teams spelend in
eenzelfde groep niet al te grote verschillen vertonen. Verder zijn er nog wat andere zaken van belang, zoals goede
accommodaties en materiaal, een duidelijk competitiereglement, adequate
communicatie en administratie, etc. Deze elementen blijven in het navolgende
onbesproken ook al zijn deze wel degelijk mede bepalend voor het welslagen
van de competitie. In hoeverre voldoet de RSB-competitie aan de drie hiervoor genoemde
voorwaarden? Ten eerste is de vraag of er
voldoende teams zijn ontkennend te beantwoorden. Het ledenaantal van de RSB was zo’n vijftien jaar geleden nog rond de
3000, maar anno 2007 is dit aantal gereduceerd tot ongeveer 2000. De
teruggang is zowel bij de senioren als bij de jeugd waarneembaar. Dit heeft
uiteraard zijn weerslag op het aantal teams dat door de verenigingen wordt
ingeschreven voor de RSB-competitie. In het nu afgelopen seizoen 2006/07 zag de competitie-indeling er als
volgt uit: Promotieklasse 1 groep van
8 teams 1e klasse 2 groepen van
8 teams 2e klasse 4 groepen van
8 teams 3e klasse 4 groepen van 8 teams 4e klasse 3 groepen van x teams In de 4e klasse werd
gespeeld 2 groepen elk uit 6 teams en 1 groep uit 7 teams. De piramidale opbouw is ver te
zoeken maar voor de invulling van de promotieklasse tot en met de 3e
klasse is de situatie niet onaanvaardbaar. De samenstelling van de 4e
en laagste klasse doet echter afbreuk aan het geheel. De tweede voorwaarde heeft
betrekking op de omvang van de teams. In alle groepen wordt gespeeld met
achttallen en dat is stellig niet te klein. De samenstelling gemeten naar
gemiddelde speelsterkte, de derde voorwaarde, laat vooral in de 3e
en 4e klasse te wensen over zo blijkt uit statistisch werk
verricht door Ronald Damhuis (3-Torens).
“In bovenstaande figuren is de
gemiddelde ELO-rating per deelnemend team uitgezet. Het is evident dat de
krachtsverhoudingen in de derde en vierde klasse relatief groot zijn”, aldus Ronald Damhuis. Samenvattend is de conclusie dat de RSB competitie voldoet aan één van
de drie objectief gestelde voorwaarden voor de inrichting van een goede
competitie. Het is dus tijd ons te beraden op deze situatie en nieuwe of in
elk geval andere wegen in te slaan. Waarheen met de RSB-competitie? Er zijn al wat suggesties gedaan. Ten eerste door Ronald Damhuis die
bij zijn grafieken nog optekent: “In een tijd waarin iedereen klaagt
over de beperkte doorstroming van de jeugd of het moeizame enthousiasmeren
van de thuisschakers is het natuurlijk droevig dat we in de lagere regionen
geen interessante RSB-competitie kunnen bieden. Ware het niet beter om de
competitie indeling aan te passen aan de werkelijke krachtsverhoudingen en
zelfs een vijfde klasse te creëren? Teams met een gemiddelde rating beneden
de 1500 kunnen dan opteren voor een aspirantenklasse. Met drie poules in de
derde klasse, twee in de vierde klasse en 1 aspirantenklasse wordt de
competitie veel leuker. Potentiële kandidaten
aspirantenklasse: CSV 2 (1367), Dordrecht 5 (1407), Messemaker 5 (1347),
Ysselmonde 2 (1375), 3-Torens 4 (1376), Papendrecht 4 (1258). Dit zijn teams
die nu als kop van jut fungeren maar in een aspirantenklasse leuk tegen
elkaar kunnen uitkomen. Vooral voor de jeugdteams is het gat met de senioren
momenteel te groot. Eventueel zouden we de aspirantenklasse open kunnen
stellen voor viertallen omdat het vaak voorkomt dat een vereniging geen
achttal (met reserves) over heeft, maar dat voert momenteel waarschijnlijk
nog te ver.” Ook Aad van den Berg (De IJssel) maakt gewag van de veranderingen. Hij
schrijft: “In de RSB competitie wordt door de
terugloop van deelname de omvang van de vierde klasse steeds kleiner.
Bovendien treedt door extra promoties (om de derde klasse vol te krijgen) een
vervlakking in speelsterkte op.” Vervolgens komt hij met de volgende suggestie: “In bijna alle andere regionale
schaakbonden tracht men dit probleem te ondervangen door verkleining van de
teams cq het introduceren van speciale competities voor met name viertallen,
zoals blijkt uit onderstaand overzichtje: FSB 4e
klasse zestallen, 5e klasse met viertallen (8) NOSBO Speciale
viertallen competitie SBO 3e
klasse zestallen, 4e klasse met viertallen (12) OSBO 3e
en 4e klasse met zestallen SGS Speciale
viertallen competitie (35 teams) SGA 5e
klasse met viertallen (7) NHSB Speciale
vierde klasse met viertallen (24 teams) LeiSB Laatste
klasse (3e) klasse met zestallen, recreatieklasse met viertallen
(6) HSB Laatste
klasse (4e) klasse met zestallen ZSB Laatste
klasse (2e ) met viertallen (12) NBSB Naast
normale competitie op zaterdag, een avondcompetitie met viertallen (51) LiSB Laatste
klasse (3e) met viertallen (21) De verkleining van teams heeft bij sommige
bonden veel succes. De RSB is de enige bond die streng vast houdt aan
achttallen. De invoering van viertallen en/of zestallen is op zijn minst een
overweging waard, lijkt mij. “ Tot zover Aad van den Berg. Later zou hij nog eens onderstrepen dat hij
er voorstander van is dat viertallen los van de competitie een eigen
competitie spelen. Aan de suggesties van Aad van den Berg is een vervolg gegeven in de
vorm van een kleine enquête gehouden bij alle RSB-verenigingen. Bij het
uitschrijven van die enquête was de bijdrage tot de discussie van Ronald
Damhuis mij helaas niet bekend. Wat was de uitkomst van de enquête? Aangeschreven 42 verenigingen met een totaal bestand van 2082 leden. Antwoord werd ontvangen van 24 verenigingen (57.1%), vertegenwoordigend
1193 leden (57.3%); Vraag 1a
Wilt u spelen met zestallen in de laagste klasse? ja = 13
verenigingen (54.2%), met 592 leden (49.6%); neen = 8 verenigingen (33.3%), met 556 leden
(46.1%) blanco = 3 verenigingen (12.5%), met 45 leden (
4.3%) Vraag 1b Wilt u de 4e klasse afschaffen?
ja = 4 verenigingen (16.7%), met 122 leden
(10.2%) neen = 12
verenigingen (50.0%), met 749 leden (62.8%) blanco = 8 verenigingen (33.3%), met 322 leden
(27.0%) Vraag 1c Wilt
u alles ongewijzigd laten? ja = 5 verenigingen (20.8%), met 383 leden
(32.1%) neen = 17
verenigingen (70.8%), met 783 leden (65.6%) blanco = 2 verenigingen ( 8.4%), met
27 leden ( 2.3%) Vraag 2 Wilt u een afzonderlijke competitie voor viertallen
invoeren? ja = 6 verenigingen (25.0%), met 309 leden ( 25.9%) neen = 7 verenigingen (29.2%), met 418 leden
(35.0%) blanco = 11 verenigingen(45.8%), met 466 leden
(39.1%) Wat mogen wij uit bovenstaande cijfers concluderen? Ik doe een voorzichtige
poging. Conclusie 1: Opvallend is de toch wel teleurstellende respons. De competitie gaat
ons allen aan en dus ook de schakers die van verenigingen waarvan het bestuur
gemeend heeft niet te moeten reageren, zelfs niet na een vriendelijke gestelde
herinnering. Dat is jammer omdat men op die manier niet bijdraagt aan het
verkrijgen van het gewenste inzicht, jammer omdat daarmee afbreuk wordt
gedaan aan de goede bedoelingen van de groep die wel de moeite heeft genomen
de vragen te beantwoorden en niet in de laatste plaats jammer voor de leden
van de betreffende verenigingen, daar hun mening nu onbekend blijft. Conclusie 2: Spelen met zestallen in de laagste klasse heeft gelet op het aantal
verenigingen een duidelijke meerderheid aan “voorstemmers”, maar met het
aantal leden als wegingsfactor wordt het overtuigende “ja” gereduceerd tot
slechts een krappe meerderheid. Conclusie 3: Duidelijk is dat het afschaffen van de 4e klasse veel
tegenstanders heeft, ondanks het gegeven dat juist die 4e klasse de
zwakke schakel in ons competitiebestel is. Creatieve oplossingen zijn dus
geboden. Conclusie 4: Moet er wel iets gewijzigd worden in de competitieopzet? Zeer zeker,
meent een forse meerderheid, ook al is daarmee nog niet aangegeven welke kant
het op moet. Conclusie 5: Moet er een afzonderlijke viertallencompetitie komen wordt niet
duidelijk beantwoord. Ik moet toegeven dat de vraag ook wel wat ruim is
gesteld, zo is onduidelijk of bedoeld wordt een competitie voor de minst
sterke schakers, wat het speeltempo is, en dergelijke. Uit het door Aad van
den Berg samengestelde overzicht blijkt evenwel dat in de andere regionale
bonden van enig succes sprake is. We kunnen er alle kanten mee op, stellig
ook de goede. Waarheen met de competitie? Het is een blijft een boeiende vraag. Mag
deze vraag los worden gezien van andere vraagstukken waar het georganiseerde
schaak mee wordt geconfronteerd, zoals de reductie van het ledenaantal, en
dergelijke? Stellig niet, is mijn overtuiging. De externe competitie is onderdeel van ons totale schaakaanbod of
anders gezegd een marketing vraagstuk. Ook de gang van zaken bij de
verenigingen maakt daar deel vanuit zoals de huishoudelijke competitie,
accommodatie, het clubblad en ditzelfde geldt ook voor de vele uitstekende
toernooien georganiseerd door zichzelf respecterende verenigingen, de al dan
niet centrale trainingen voor de jeugd, de schaaklessen aan huismoeders en al
dan niet bijbehorende vaders, en vult u het lijstje zelf maar verder aan. Er is, zo wil ik wel vaststellen, nog heel wat werk aan de winkel. Het
RSB bestuur zal zich op korte termijn beraden over door mij getrokken
conclusies. Maar blijft u als het u belieft
nu niet passief aan de kant staan. Reacties, suggesties zie ik gaarne
op mijn e-mail (kluizenest@planet.nl)
van u tegemoet. Het bestuur zal en kan van uw inbreng dankbaar gebruik willen
maken. Kees van der Waal (bestuurslid PR en Verenigingszaken) |
||||
|
In de RSB competitie wordt door de
terugloop van deelname de omvang van de vierde klasse steeds kleiner.
Bovendien treedt door extra promoties (om de derde klasse vol te krijgen) een
vervlakking in speelsterkte op. Door terugloop van de ledentallen zijn er
diverse verenigingen die beperkingen moeten aanbrengen in competitieteams
omdat daarvoor onvoldoende aantallen, acht per team, beschikbaar zijn. Door de RSB is vorig jaar de mogelijkheid
voor combiteams geschapen. Dat blijkt, gezien de deelname, geen succes. Zo’n
combiteam is toch niet echt een club team waarmee men zich kan identificeren.
Dat geldt ongetwijfeld ook voor het door Kees van der Waal geopperde idee van
streekteams. In bijna alle andere regionale
schaakbonden tracht men dit probleem te ondervangen door verkleining van de
teams cq het introduceren van speciale competities voor met name viertallen,
zoals blijkt uit onderstaand overzichtje:
De verkleining van teams heeft bij
sommige bonden veel succes. De RSB is de enige bond die streng vast houdt aan
achttallen. De invoering van viertallen en/of zestallen is op zijn minst een overweging
waard, lijkt mij. Voorts nog een aardig idee ter
‘opvrolijking’ van de competitie wat ik las in het laatste nummer van
Schaakmagazine. Bij de OSBO is er voor elke klasse een gemeenschappelijke
slotronde te organiseren door één van de deelnemende verenigingen. Dat blijkt
daar een groot succes. Aad van
den Berg |
||||