Van Staunton tot The Black Lion
|
|
|
|
Openingsboeken zijn er in alle soorten en maten en geschreven
vanuit de meest uiteenlopende gezichtspunten. Eerst waren er de openingshoofdstukken in algemene leerboeken,
een al dan niet beknopte behandeling van de bekendste openingen met de
hoofdvarianten.
Lehrbuch des Schachspiels van
Harrwitz dat het bij mij altijd zonder kaft of omslag moet doen. De
laatste paar blz. ontbreken, maar ik ben bijzonder
content met de wel aanwezige pagina’s, heel
interessant. 1. Leer- en
handboeken The Chess-Player’s Handbook van Howard
Staunton uit 1847 (herdruk van Batsford uit 1985) telt 518
pagina’s, 344 ervan worden besteed aan een uitvoerige bespreking van de toen
gangbare openingen, 14 zijn er beschikbaar voor het damegambiet en 34 voor de
‘onregelmatige’ openingen. Onder de laatste categorie vallen bv. het Frans,
het Siciliaans, de 1. e4, d5 en de 1.d4 f5. De namen Scandinavisch en Hollands
waren toen blijkbaar niet bekend. Voor wie dat mocht denken wijs ik er
op dat dit boek bepaald niet de eerste is waarin openingen voorkomen.
Staunton zelf verwijst veelvuldig naar oudere bronnen als Damiano, Ponziani,
Greco, Lolli, enz., enz.*) uit de 15de, 16de, 17de
en 18de eeuw (Philidor). Het Lehrbuch des Schachspiels
van D. Harrwitz **), uitgegeven in 1862, hanteert in grote trekken
dezelfde indeling als Staunton. 1. e4, d5 heet intussen Berliner Partie. Bij
1. d4, f5 staat: “Dieser Zug, nach Elias Stein benannt, ist der beste um das
Gambit der Dame zu vermeiden.” Het (aangenomen) Koningsgambiet krijgt ook bij
hem zeer ruime aandacht maar minder dan bij Staunton. De methode om openingen te behandelen
in algemene leerboeken ligt voor de hand en vindt ook nu plaats. De opening
komt nu eenmaal in alle schaakpartijen voor en vormt samen met het
middenspel- en eindspel de schaakpartij zoals de ouverture, het al dan niet
langzame middendeel en de finale dat doen bij de symfonie. In het Frans komen
ouverture en finale dan ook in beide kunsten voor.
Damengambits en van Maróczy Die Französische
Partie Het bekendste, meest uitgebreide en
ook wel de beste in deze rij is het Handbuch
des Schachspiels van P.R.
von Bilguer (v.d. Lasa), kortweg De Bilguer genoemd. ***) De 8ste door Carl
Schlechter geheel bewerkte druk uit 1922. De Open Spelen zijn nog steeds
favoriet. Het Spaans wordt uitvoerig behandeld. Het Caro-Kann en de naam
Scandinavisch hebben hun intrede gedaan. De openingen met 1. d2-d4 hebben een
eigen afdeling gekregen. Op een enkele plaats zien we een Indische
verdediging het kopje opsteken en ook het Ben-Oni maakt zijn opwachting. Ik
vermoed dat dit boek nog regelmatig wordt geraadpleegd door liefhebbers van
wat oudere varianten. 2. Specialisten In het begin van de vorige eeuw werden
veel nieuwe ideeën en openingen gelanceerd. Jonge creatieve spelers
vernieuwden de denkwijzen over de schaakstrategie en dus ook over de
openingen. O.a. Nimzowich, Aljechin en Réti brachten
hun verfrissende gedachten met nieuwe openingen of varianten in praktijk. Een nieuwe categorie leerboeken deed
zijn intrede, over de openingstheorie. De twee titels die ik geef zijn echter
nu niet direct vernieuwend te noemen. Uitgerekend de behoudende Dr. Tarrasch
schreef Die Verteidigung des Damengambits: Kritische Untersuchungen uitgegeven in 1924. De titel is
tweeërlei op te vatten! Een fraai boekje is dat van de hand
van Maróczy: Die Französische Partie,
1927, dat op mij overkwam als een warm pleidooi voor het Frans. In de jaren ’30 heeft Prins een heel
goed boek geschreven over “zijn” variant van het Grünfeld-Indisch, met mooie
partijen. Helaas is dit boek op een kwade dag uit mijn verzameling verdwenen.
Het bestuderen van de openingstheorie
nam een grote vlucht. Euwe gold in de jaren dertig als
expert. Na zijn titelmatches begon hij met het publiceren van zijn Theorie der Schaakopeningen,
neergelegd in 12 deeltjes. We kunnen gerust spreken van een bestseller.
Tientallen jaren vormden zij de leidraad voor de praktische schaker. De
nieuwe ideeën en openingspraktijk zijn in deze boekjes volop terug te vinden. Ik zal u niet vermoeien met het
opsommen van wat sindsdien allemaal is verschenen. Een paar dan: De serie van
Rolf Schwarz, de Sportverlag series, de Encyclopedie in vijf kloeke delen en
sindsdien de Jaarboeken van New in Chess. En dan heb ik nog niet eens de
Losbladige genoemd waarmee de ambitieuze schaker vanaf 1950 zich voorbereidde
op zijn volgende partij. Onnoemelijk is het aantal boeken, kaf
en koren, waarin aparte openingen of zelfs varianten worden behandeld. Het is
voor de praktische schaker vandaag een heel karwei om in het woud van titels
de goede er uit te pikken. Bijzondere openingsboeken. Hier volgt een uiteraard persoonlijke
keuze. Het gaat dan om boeken of boekjes over
een opening waar de auteur zijn hele ziel in heeft gelegd. Die opening, deze
variant. Hij wil aantonen, bewijzen is wellicht te veel gevraagd, dat zijn
aanpak praktische kansen biedt, tot creatief spel leidt, gedurfd spel vereist
en veel voldoening geeft. Onlangs kocht ik een onooglijk boekje
– desondanks een “Recente Aanwinst” – met de titel Die Eröffnungen in der Modernen Schachpartie (unter Anwendung des Kampfplanes) in
1946 uitgegeven door Henry Grob, de Zwitser. Op blz. 91 van het boekje geeft hij,
bijna als toegift, een behandeling van “zijn” 1. g2-g4. Hij noemt dat zelf “Partie Ahlhausen”
of “Genuesisch” en heeft deze zet uitvoerig in correspondentiepartijen
uitgeprobeerd. Laat ik onmiddellijk zeggen dat Grob
duidelijk aangeeft dat wit bij correct spel van zwart in de problemen moet
komen. Hij wijst wel op de wederzijdse mogelijkheden, op offercombinaties en
vallen. Het zijn maar drie of vier pagina’s.
Maar ik bewonder de moed om zo’n absurde zet te spelen, te blijven toepassen.
Het is geen blijvertje geworden. In Chessbase komt deze opening nog 485 keer
voor. Dit jaar heeft het talent Needleman het twee keer gespeeld.
Diemer is wel helemaal de voorganger
van zijn Blackmar-Gemeinde die luide verkondigt dat hij er slaagde in zijn
groep van het Hoogoventoernooi 1956 vier partijen met de Blackmar te winnen!
Het moet gezegd dat hij veel volgelingen heeft gekend, (of nog heeft?) Emil Josef Diemer is hét voorbeeld van een
man die bezield is door een openingsidee en in de verspreiding ervan heel
zijn ziel en zaligheid heeft gelegd. Totdusver hebben we het alleen gehad
over boeken waaraan door een of twee schrijvers is gewerkt. De Leeuw, het zwarte wapen heeft weliswaar Leo Jansen en Jerry
van Rekom als auteurs op de kaft staan, zij hebben zonder twijfel het
leeuwendeel verricht, maar is als je het een beetje ruim neemt, het product
van een hele groep schakers rond de Sv. Sliedrecht. Jarenlang hebben zij de
opening toegepast, intern, extern, en met opmerkingen en ervaringen
bijgedragen aan het eindresultaat, een co-product om trots op te zijn.
De eerste druk werd in brede kring
bijzonder gewaardeerd en de verwachtingen zijn dus hooggespannen. Een openingsrevolutie, en in
Sliedrecht begon de Victorie. Tom van Bokhoven 25 november 2008 *) In een voetnoot op blz. 108 waarschuwt
Staunton er voor “niet te veel belang te hechten aan de mening van vroegere
schrijvers met gezag en de zeer gewaardeerde auteurs van de Italiaanse school
– zij baseerden hun theorie der openingen op beginselen van het spel die zo
zeer afwijken van de onze dat ze vaak onbruikbaar zijn of zelfs een
bedrieglijke gids vormen. In de tijd van Damiano en Lolli was de rokade nog
onbekend in grote delen van Europa enzovoorts. **) Daniel
Harrwitz (1823-188) “Probably the world’s best active player in the
mid-1850s.” The ***) De 1ste
druk verscheen in 1843. Besproken werken: - The Chess Player’s Handbook, Howard
Staunton, 1847, herdruk Bracken Books, 1989. - Handbuch des Schachspiels, P.R.
Bilguer, Walter de Gruyter, 1922 - Die Eröffnungen in der Modernen Schachpartie, Henry Grob,
1946 - Das moderne Blackmar-Diemer-Gambit, Emil Josef
Diemer, Schachverlag Rudi Schmaus, 1978 - The Black Lion, Jerry van Rekom en Leo Jansen,
New in Chess, 2008 - Theorie der Schaakopeningen, Dr. M.
Euwe, Van Goor, 1938 e.v. |
|
|