|
Schaakboeken 2
1 Basic Chess Endings, Rueben
Fine 2 British Chess Magazine 1947 3 Frank J. Marshall’s Best
Games of Chess, 4
Schachkongress Teplitz-Schönau, 1922 5
D. Noteboom, Dr. M. Euwe
|
|
|
|
Uitgebreid overzicht van alle
eindspelen. De doelgroep is de schaker in de praktijk. De onuitputtelijke
hoeveelheid voorbeelden is grotendeels ontleend aan meesterpartijen. Maar er
zijn ook theoretische stellingen, b.v. studies van Réti. Jammer dat er geen
index van spelers, componisten e.d. is toegevoegd. Wel is er een summiere
bibliografie. Daarin schrijft hij o.a.
”Berger’s THEORIE UND
PRAXIS DER ENDSPIELE is the classic and has been invaluable throughout. This
monumental work is the compendium of all previous research up to 1921.” Hoog in de canon dus en een
andere keer de schijnwerper op déze must. S. Evan Kreider is op www.chessville.com van oordeel dat het
gebruik van de beschrijvende notatie een groot bezwaar is en achterhaald. Hij
bepleit een uitgave met de inmiddels algemeen gebruikelijke algebraïsche
notatie. *) De Basic Chess Endings is
een mijlpaal in de behandeling van het eindspel en behoort in de reeks Berger, Euwe, Rabinowitsch, Chéron,
Averbach. *) Opmerking van Eric van
’t Hof dd. 02.10.2007: Ik ben het geheel eens met deze tekst, maar in
aanvulling op de opmerking over de algebraïsche
notatie, wil ik u erop wijzen dat zo'n uitgave al sinds
2003 bestaat, gereviseerd en aangevuld door Pal Benko, uitgegeven
door McKay Chess Library. |
|
|
Het verzamelen van
schaakboeken is al vroeg begonnen. Een van de eerste boeken die ik te pakken
kreeg was jaargang 1947 van Dit boek bracht mij in
contact met de Engelse schaakwereld, de probleemrubriek van T.R. Dawson die een onuitwisbare
indruk bij mij achterliet, een serie openingsartikelen over het Hollands, van
Tartakower, de boeiende rubriek van R.N. Coles ‘One Hundred Years ago’, en onder veel meer, met een
voor mij tot dan toe onbekende vormgeving van de stukken in het diagram. Op
deze site is deze toegepast. De rubriek van Coles heeft
er ongetwijfeld toe bijgedragen dat mijn belangstelling voor het schaken en
diens helden van “toen” zo groot is geworden. |
|
|
Frank J. Marshall’s Best
Games of Chess, Marshall, Dover uitgave. Na een dag van
strooptochten naar schaakboeken in het Oosten des lands was de buit nihil.
Nog één winkel geprobeerd. Er waren wat exemplaren voorradig maar in elk
geval veel te duur. Om het gevoel van mislukking te vermijden kocht ik daar,
misschien iets te duur, Marshall’s verzameling van eigen partijen, in de
DOVER-reeks. We kennen de fabelachtige
zet in zijn partij tegen Stepan Lewitsky, Breslau, 1912: 23. … Dc3-g3 !!! Marshall: “Perhaps you have heard about this game, which so excited
the spectators that they ‘showered me with gold pieces!’ I have often been
asked whether this really happened. The answer is – yes, that is what
happened, literally!” Deze partij is geen fake,
niet gespeeld op een wilde avond in de hoek van een café, met steeds hogere
alcoholpercentages en sterkere verhalen. Nee, zij werd volkomen
regulier op 20 juli 1912 gespeeld in de 6de ronde van het 19de
Schaakcongres van de Duitse Schaakbond in Breslau, nu Wroclaw. In de
betreffende Olms (Band 56) staat ze tussen de andere partijen uit die ronde,
t.w.: Mieses–Rubinstein ½-½ Lewitsky-Marshall 0-1 Cohn-Treybal 0-1 Schlechter-Tarrasch ½-½ Breyer-Balla ½-½ Burn-Spielmann 0-1 Duras-Przepiorka 0-1 Teichmann-Carls ½-½ Barasz-Lowtzky 1-0 Was dat nou echt te veel geld
voor dit boek? Anderen gaven alleen voor één partij, wat zeg ik, voor één zet
al goudstukken! |
|
|
Een monument met 660
bladzijden. De eerste helft van het boek bevat de uitvoerige analysen van het
Meestertoernooi door Ernst Grünfeld
en Prof. A. Becker. Het tweede gedeelte is
gewijd aan het Eerste Internationale Probleemtoernooi van Teplitz-Schönauer
Anzeiger 1921/22, een aantal opstellen over problemen en eindspelstudies o.a.
van Kraemer, Palatz, Dehler, Orlimont,
Halumbirek en Sackmann. Verder is er nog een ‘Enzyklopädisches
Schachwörterbuch’ van Tartakower,
en een overzicht van Bachmann van
de belangrijkste schaakmeesters met biografische gegevens en een korte
karakteristiek van hun speelstijl. Kortom een goudmijn voor de schaakdelver. Het toernooi - met veertien
deelnemers - werd overigens gewonnen door Réti en Spielmann, elk 9 punten,
gevolgd door Grünfeld en Tartakower met elk 8½ punten en Rubinstein met 8
punten. |
|
|
D. Noteboom Jr., Dr. M. Euwe, De
Technische Boekhandel H. Stam, 1932. Een helemaal Nederlands
schaakboek dat gewijd is aan Daniël Noteboom, de uiterst talentvolle schaker
die op zeer jeugdige leeftijd – zeker voor die tijd – furore maakte, maar al
op 12 januari 1932 op 21 jarige leeftijd in Londen overleed. Het is zinloos
te filosoferen over wat hij nog had kunnen bereiken … Het is een ouderwets mooi
boek. Prachtig bandontwerp, mooi zwaar papier, en een portret van Noteboom. Drie associaties. Mijn Oom Ben – zie ook het
verhaal over de Zwartjanstraat ’44-’45 – bezat twee schaakboeken, t.w.
deeltje 1 van Euwe’s Theorie der Openingen en dit Noteboomgedenkboek. Zo maakte ik al heel jong kennis
met de persoon en partijen van Noteboom. Tijdens mijn periode in de
SV Dordrecht was daar ook de heer P.H.J.
Stam lid, die als vriend van Daniël Noteboom een bijdrage aan het
gedenkboek leverde. Ook, en heel lang, was de
heer J.H. Wertheim *) lid van
Dordrecht. Hij was een schilderachtige figuur, die op iedereen die hem
meemaakte een diepe indruk achterliet. Zijn leven, hij werd geboren in
Sint-Petersburg, is een biografie waard. Hij overleed op zeer hoge leeftijd. Zowel de heer Stam als de
heer Wertheim, in die periode o.a. Seniorenkampioen van Nederland, ben ik in
de interne competities tegengekomen. *) De
eerdere vermelding dat de heer Wertheim samen met Nooteboom in Hamburg in de
Olympiade speelde, is onjuist. Hij deed wel mee aan de ‘’Olympiade” van 1928. |