KEES KLOK OVER KEES BUDDINGH’:
Schrijf nu eindelijk eens zijn biografie



meer (schaak) -nieuws op

www.tomsschaakboeken.nl

 

 

 

C. Buddingh’ overleed in 1985. We moesten tot 1994 wachten voor de laatste delen van zijn dagboek, verzameld in een ruim 500 pagina’s dikke dundrukeditie, verschenen bij de Bezige Bij, onder de titel Dagboeknotities 1977-1985. Een boek waar in sommige kringen nieuwsgierig naar werd uitgekeken, omdat alom werd verwacht dat het een antwoord zou geven op de vraag of Hermans infame aanval in het NRC-Handelsblad van 29 september 1978 (‘Bijzonder aardig: prima, prima,’ opgenomen in Houten leeuwen en leeuwen van goud, Amsterdam 1979) nu werkelijk de oorzaak was van de geestelijke crisis die Buddingh' eind jaren zeventig tijdelijk in zijn greep hield.

 

Jan Eijkelboom noemde het stuk van Hermans in een interview voor de locale Dordtse televisie ‘karaktermoord.’ Dat bleek uiteindelijk allerminst uit het dagboek. Buddingh’ doet het daar voorkomen alsof de aanval van Hermans hem weinig deed. Hoewel Buddingh’s dagboek geschreven werd met het vooropgezette doel om de aantekeningen te publiceren en de auteur niet iemand was om met zijn allerdiepste gedachten te koop te lopen, ben ik geneigd hem te geloven. In die tijd speelde Buddingh’ voor het schaakteam van de stichting Bobby Kinghe, waar Han van Gorkom en ik eveneens deel van uitmaakten. De avond na de publicatie van Hermans artikel speelden we een wedstrijd. Aan Buddingh’ was weinig te merken. Desgevraagd zei hij ons dat Hermans zijn werk kennelijk nauwkeuriger las dan hij dat van Hermans. Aangezien Buddingh’ slecht tegen kritiek kon en daar soms tamelijk irrationeel op kon reageren, wat bijvoorbeeld bleek uit zijn ridicule optreden in de zogenaamde Hollands Diep-affaire, had het voor de hand gelegen dat hij nog steeds geëmotioneerd zou zijn geweest als hij veel waarde aan Hermans zijn geziek en gehoon zou hebben gehecht. Ik ben geneigd Buddingh’s inzinking eerder te wijten aan de herinneringen aan zijn sanatoriumtijd, die in die periode begonnen op te spelen. Hij verwijst daar in zijn dagboeknotities ook wel naar. Meer zekerheid over een en ander zouden we misschien kunnen krijgen als eindelijk de biografie van Buddingh’, waar nu al jaren op wordt gewacht, eens zou verschijnen.

Ik heb mij altijd afgevraagd waarom het zo lang moest duren voordat die dagboeknotities verschenen. De literaire nalatenschap van Buddingh’ was in die tijd onder beheer van Ares Koopman. Waarom had Koopman maar liefst negen jaar nodig? Ik geef toe, Buddingh’ zijn handschrift is van een gruwzame onleesbaarheid. Een voorbeeld ervan staat voor in de Dagboeknotities 1977-1985 en in mijn archief heb ik ook nog een paar onleesbare kattebelletjes van hem, maar dat handschrift kan op zich geen reden voor al dat uitstel zijn. Misschien werd de bezorger wel afgeleid door wat tussendoorklusjes, boekjes zoals Mijn katten en ik, Een prachtig cadeau van niemand en Tussen de bedrijven, dagboeknotities uit 1942, die verschenen bij uitgeverij Cadans in respectievelijk 1988, 1989 en 1989. De eerste twee zijn aardige boekjes om voor de ontspanning te lezen, het laatste draait om enkele niet eerder gepubliceerde dagboeknotities uit 1942, die van enig belang zijn omdat het latere werk van Buddingh’ nogal eens naar die jaren verwijst. Desalniettemin is het kruimelwerk dat de dagboeknotities naar mijn bescheiden mening niet had moeten ophouden. Hoe dan ook, aan de beoogde biografie van Buddingh’ is Koopman uiteindelijk niet toegekomen. Op een gegeven ogenblik kwam het tot een breuk met de weduwe Buddingh’. Koopman vertrok door de zijdeur en via het voorportaal trad Wim Huijser aan, die een veelbelovend begin maakte op weg naar, uiteindelijk, laten we het hopen, de Buddingh’- biografie.

Door toedoen van Huijser, die in Dordrecht naam had gemaakt door De Stad is een boek: het Dordrecht van C. Buddingh’ (de Walburg Pers, 1999) verscheen in 2003 bij de Bezige Bij Alle gorgelrijmen, fraai geďllustreerd door Wim Hofman. Twee jaar daarvoor stelde hij voor de Walburg Pers C. Buddingh’ – Een mens in de tijd samen, waarin foto’s en bijpassende dagboeknotities een alleraardigst beeld geven van Buddingh’. Een biografie is het echter niet. Geen nood Wim toog aan het werk. Zo nam hij het initiatief tot het oprichten van het Buddingh’ bedoeld om de nagedachtenis en het werk van Buddingh’ levend te houden. Een nobel doel dat door het verschijnen van een degelijke biografie ten zeerste zal worden bevorderd.

 

Op een goede dag in 2004 verscheen echter bij uitgeverij Liverse een boekje van Buddingh’ onder de titel Bij wijze van spreken, ook bezorgd door Huijser. Het bevat een aantal miniaturen die Buddingh’ ooit schreef, maar nooit publiceerde. Verstandig, want het zijn op zijn best vingeroefeningetjes te noemen, bedoeld om de pols los te schrijven. Eigenlijk is het een draak van een boekje, dat voornamelijk snippers uit Buddingh’s prullenbak bevat. Waar blijft die biografie? dacht ik toen een bevriend dichter mij een exemplaar cadeau gaf. Een tijd geleden deed Huijser een boekje het licht zien dat, volgens de uitnodiging voor de presentatie, die ik in de prullenbak heb gegooid onder de kreet ‘het is genoeg geweest,’ alles bevatte (of in ieder geval veel, ik wil het kwijt zijn) dat Buddingh’ zou hebben geschreven over voetbal. Geweldig, was mijn eerste gedachte, nu zullen er binnenkort ook wel boekjes komen waarin alles (of veel, wie zal het zeggen) staat wat Buddingh’ ooit schreef over schaken, en over cricket, over tweedehandsboekwinkeltjes in Engeland, over Ierse whisky, over sigaren enzovoort enzovoort. Buitengewoon aardig: prima, prima, maar ondertussen zitten we wel te wachten op een boek dat ons weer eens echt wat over Buddingh’ gaat mededelen. De biografie dus. Ik zou zo langzamerhand wel eens willen weten wanneer die komt.

Kom op Wim, schrijf nu eindelijk eens dat boek, daarna mag je wat mij betreft alle prullenbakken die er van Buddingh’ nog zijn op je gemak uitvlooien.

 

Zie ook  kees-klok.blogspot
meer over Buddingh’ op de Buddingh’-pagina

 

www.tomsschaakboeken.nl