|
In 1979 gaf de Culturele Raad Dordrecht mijn boekje Centre
Ville uit. Een handvol stukjes in een zeer klein lettertype,
zodat het resultaat flinterdun was. Wel had het een mooie omslag, gemaakt
door Bas Damme. Het titelverhaal staat al jaren op de placemats van
café-restaurant Centre Ville. Van het boekje zelf bevindt zich tot mijn
verbazing nog steeds een exemplaar in de Dordtse openbare bibliotheek. Een
heel enkele keer zelfs maakt iemand er nog wel eens een opmerking over. Dat
verbaast mij, na bijna dertig jaar, nog meer.
Opvallend afwezig in Centre
Ville is café, annex poffertjessalon Visser en dat kan ik alleen
maar verklaren uit de grote haast die ik indertijd had om iets te publiceren.
Het had even voor de hand gelegen om over Visser te schrijven als over Centre
Ville. Het is een etablissement dat ik al vanaf mijn vijftiende bezoek en dat
in al die jaren gelukkig niet is veranderd. Nog steeds sieren dezelfde
truttige, maar dierbare kapjes van Brabants bont de kroonluchters waaronder
wij als spijbelende pubers zaten te kaarten. Het zijn nog dezelfde Vlaamse
tafels als die waaraan we vergaderden met de redactie van de schoolkrant en
later met de dranklustige medewerkers van het literaire tijdschrift Letteriek.
Wij waren niet de enigen. Ook de hoofdredacteur van het toen prille seksblad Chick kwam
in de jaren zestig bijna dagelijks in Visser, waar hij zijn eerste modellen
vond. Eén ervan zie ik nog wel eens weemoedig tegen de doorrookte betimmering
leunen. Zij stond in Chick met een prei in haar vagina, een
winterpeen in haar anus en radijzen aan haar tepels. Dertig jaar later noemt
iedereen haar nog steeds de Groententuin.
We ontdekten Visser als spijbelcafé. Ik zie er nog steeds mensen uit die
jaren, maar ook leerlingen van nu, grootouders die hun kleinkinderen op
poffertjes trakteren en winkelende dames op leeftijd, die smokkelen met hun
dieet. Vooraan in de zaak staat een gietijzeren fornuis, waarop de vette,
maar uiterst smakelijke poffers worden gebakken. Dat geeft soms een benauwde
walm, vooral als het druk is, die iedereen voor lief neemt.
Ik zit graag achterin, aan een tafel onder het bord P.C. Hooftstraat. Daar
heb je uitzicht op de hele zaak. De muziek, iets waar een goed café
gemakkelijk zonder kan, maar dat hebben ze zelfs bij Visser niet door, klinkt
er minder luid en als er iemand binnenkomt die je liever niet ziet, kun je je
tijdig achter de krant verschuilen. Ik zit, kijk rond en rook, zolang het
anti-rookterrorisme nog niet heeft toegeslagen, mijn sigaar. Ik dobber terug
in de tijd en houd de achterdeur in de gaten, om snel naar het toilet te
kunnen schieten als Adamse, de conciërge van Mulo-Groenedijk, zou
binnenkomen. Om mij heen zitten mijn levende en te vroeg gestorven vrienden.
Een middelbare dame verandert van lieverlee in een klasgenote uit 4A2.
Achter haar duikt de Chick-redacteur op. Er worden gedichten
gelezen, we selecteren verhalen, maken plannen voor bijzondere Letteriek-uitgaven,
maar we tobben als altijd met het geld.
Terwijl de scènes aan mij voorbij gaan, bedenk ik dat ik nog wel eens een
boek wil schrijven met, wie weet, als titel De Poffertjessalon.
Het is met dat soort plannen van mij alleen net als met Gods Koninkrijk op
Aarde: het klinkt geweldig, maar het komt er steeds niet van. Misschien moet
ik het maar houden op een grootgeletterde herdruk van Centre
Ville, aangevuld met een stuk over Visser. Al was het maar om de
gelovigen weer voor even zoet te houden.
Op de foto:
Geheel in de hoek de Dordtse topspeler Gerrit de Wolf, tijdens de wekelijkse
schaakavond van De Willige Dame in Visser (zie: http://www.tomsschaakboeken.nl)
|