|
|
|
|
|
|
|
Stap voor trap Stef Bos vertelde
onlangs tijdens zijn aanbevelenswaardige theatertour een verhaal over Ramses
Shaffy. Die staat samen met een zenuwachtige collega-artiest - die zich
eerder laatdunkend over hem heeft uitgelaten - op de trap die hen tree voor
tree naar beneden brengt op het podium van het Concertgebouw. Dat theater
kent geen coulissen waardoor je via de zijkant op kunt komen. Het is een
lastige trap, één misstap en je gaat op je snufferd. “Weet je wat het verschil tussen jou en mij
is?“, zegt Shaffy tegen zijn collega die last heeft van bibberende knieėn:
“Als jij beneden bent, ben je blij dat je er bent. Ik geniet van elke stap.“ De ochtend na zijn optreden schiet
bij het ontwaken deze anekdote me te binnen. Is het geen metafoor voor het
leven? Het leven is een geschenk, maar je krijgt het niet cadeau. Door dat
verhaal stap ik die dag net even anders uit bed, me bewust van wat ik wil
doen om de dag te plukken. Natuurlijk is het op sommige dagen verleidelijk je
nog eens om te draaien. De ene dag ziet er aanlokkelijker uit dan de andere,
afhankelijk van wat er te doen valt. Toch is het maar net, wat je wilt zien.
De uitspraak van Ramses weerspiegelt de grondwet van de sociologie. Als mensen situaties als werkelijk
definiėren, dan zijn die situaties werkelijk in hun consequenties, schreef
William Thomas al in 1928. Het sociale handelen van mensen kan slechts worden
begrepen uit de manier waarop zij de sociale werkelijkheid interpreteren. Wat
mensen geloven is belangrijker dan wat waar is. Samenleven is dus niet
mogelijk zonder het mechanisme van de zichzelf waarmakende voorspelling. En
dat geldt vanzelfsprekend ook voor ieder individu. Hoe ieder van ons zijn of haar leven invulling geeft blijft
uitermate boeiend. Zo ben ik al jaren gefascineerd door die ene Dordtenaar die
zo af en toe mijn pad kruist. Hij rijdt op een ouderwetse degelijke zwarte
fiets, altijd met een aktetas aan het stuur. In mijn beleving is hij altijd
onderweg, waarheen weet ik niet. Het lijkt me iemand zonder vaste woon- of
verblijfplaats. Soms draagt hij een trainingsjasje, dan weer een lange
regenjas. Hij heeft een karakteristieke kop: een haviksneus, een enigszins
vale huid, zijn dunne haar is achterovergekamd en loopt uit in een
paardenstaart. Het meest opvallende is zijn in zichzelf gekeerde blik. Als ik
hem aankijk, maakt hij geen oogcontact. Zijn gezicht heeft een bijkans serene
uitdrukking, bijna meditatief. Het lijkt alsof hij en hij alleen een
liedtekst van Boudewijn de Groot - Hoe sterk
is de eenzame fietser die kromgebogen tegen de wind zichzelf een weg baant
- tot levensmotto heeft verheven. Hij trapt eeuwig door, weer of geen weer.
Geluk is lekker bezig zijn, volgens onze geluksprofessor Ruut Veenhoven. Deze
man trotseert de elementen en zoekt zijn weg: ook hij geniet, van elke trap. To be or not to be: wie van ons heeft er geen fiets?
Bert den Boer |
|
|
|
|